Schrijfsels

Voor diegenen die graag mogen lezen: op deze pagina staan een aantal gepubliceerde verhalen en geschreven gedachtes, kortom: schrijfsels. Inhoudsopgave:

-Rouwverwerking na het verlies van een levenspartner, deel 1

-Over Duurzaam Leven

-Overpeinzingen van Fiets

Rouwverwerking na het verlies van een levenspartner, deel 1

Gepubliceerd door Civis Mundi: https://www.civismundi.nl/index.php?p=artikel&aid=3920

Hier volgt mijn nog slechts prille, maar intense ervaring met rouw. Een vaak analytische, soms intieme, soms filosofische beschouwing, geschreven in de maanden na het overlijden van Diny op 13 december 2016. Ze was mijn vrouw, mijn vriendin, mijn maatje, mijn muze. Ze stierf op haar vijftigste aan de gevolgen van longkanker, zes dagen na de diagnose.

De periode is nu nog te kort voor spijkerharde vaststellingen. Echter, het op papier zetten van de beleving tot nu toe, samen met een visie op toekomstige omgang en verwerking, helpt mij enorm. Het wegen en formuleren van de juiste woorden dwingt me dieper over de ervaringen na te denken. De rationele geest analyseert de emotionele geest en brengt zo inzicht. Schrijven ordent het hoofd als het opruimen van een rommelige kast. Niet iedereen zal er op deze manier mee om kunnen gaan, maar misschien helpt de herkenning sommige achterblijvers hun rouwproces te begrijpen. Nog een reden voor mij om te schrijven, ligt in het feit dat ik weinig mensen om mij heen heb. Ik moet m’n gevoelens vaak parkeren op papier, om ze later te kunnen delen.

Rouw door het verlies van je levenspartner is als het zwarte spiegelbeeld van verliefdheid. Iedereen weet wat het is om verliefd te zijn: je dagen, weken, maanden worden beheerst door slechts één euforische beleving: die ander. Het beïnvloedt je zijn en je functioneren. Zo is het ook als je levensgezel wegvalt. Niet elke minuut, maar elke seconde van de dag is er, later op de achtergrond,

maar in het begin pijnlijk op de voorgrond, het snijdende gemis van je maatje. Dat rauwe, scherpe verlies krast een blijvend litteken in je ziel.

De spiegel tussen rouw en verliefdheid heet liefde. Verliefdheid piekt en zwakt af tot liefde en diepe genegenheid. Zo ook met rouw. De liefde voor je levenspartner zal nooit weggaan en stabiliseert zich terug als de spiegel tussen verliefdheid op wat komt, en rouw om wat gaat.

In ons geval hadden Diny en ik maar een paar dagen om een deel van de rouw samen te verwerken. Ik ben zelfs voor dat weinige heel dankbaar. Het sterven kwam plotseling, als een dief in de nacht. Bijna net zo snel en onverwacht als een ongeluk. Tijd voor een laatste vaarwel was er niet. Toch kan ik daarmee leven, omdat haar onnodig lijden en een doodsstrijd bespaard is gebleven. Niettemin is het een hard gelag, want Diny en ik waren de laatste vijftien jaar bijna elk moment van de dag samen. Als wij langer dan een uur apart waren, door eigen werkzaamheden of het doen van een boodschap, dan scheidden onze wegen pas na het elkaar geven van een kus. Altijd een kus. Altijd. Maar de allerlaatste kus mocht niet zijn. En dat doet ontzettend pijn.

Het wassen en opbaren in eigen huis is een warme intimiteit die je jezelf van tevoren niet kunt voorstellen. Ik zal buurvrouw Joyce mijn leven lang dankbaar blijven voor haar hulp en de momenten die we deelden, die vroege decemberochtend.

Diny en ik wisten van elkaar wat we ongeveer wilden als een van ons zou wegvallen. Details spraken we de laatste dagen door. We zaten weliswaar op één lijn, maar zonder dat overleg zou later knagende twijfel mijn deel geweest zijn. Onze vriendengroep de Verkuskoi nam direct de organisatie van de uitvaart op zich en gaven mij het gevoel een gast in eigen huis te zijn, gedurende de tijd dat Diny opgebaard lag. Ook hen ben ik mijn leven lang dank verschuldigd.

Daarna de onvergetelijke tocht naar het crematorium met Diny in de door haar broer Jos getimmerde kist op het fietszijspan. Begeleid en gesteund door een stoet medefietsers. Op het zijspan had ik Diny naast me, zoals we ook naast elkaar fietsten, zaten en sliepen. Kleine, ogenschijnlijk futiele dingen, maar o zo belangrijk op het juiste ogenblik.

Ik ben er nog lang niet doorheen, maar één ding is inmiddels duidelijk: derden kunnen zich nauwelijks voorstellen dat een plotseling partnerverlies zo allesoverheersend is, dat het werkelijk elk moment van de dag beheerst. Er is maar één ding constant op de voorgrond. Alles wat je verder doet, gaat op de automatische piloot of gaat niet.

Het voelt letterlijk als een strak harnas dat indrukken en invloeden van buitenaf weert. Datzelfde pantser probeert jouw eigen gevoelens binnen te houden en beklemt je functioneren. Het laat slechts een paar bezigheden toe, die echt moeten en niet je volle aandacht vragen.

Het is goed om over je ervaringen en verwerking na te denken, maar belangrijker om niet in je eigen gedachten te blijven ronddraaien. Het pantser wordt ijler en doorlaatbaar als je het blijft bombarderen door met je verdriet naar buiten te treden en er met anderen over te praten. Gedeelde smart is nog altijd halve smart.

De eerste tijd is er nauwelijks sprake van verwerking, buiten het goede gevoel dat je het allerlaatste eervol geregeld hebt. Je teert op de dierbare tevredenheid die je overhoudt, nadat je iets doet voor iemand die het verdient. Het is niet zo dat je na de uitvaart weer langzaam opkrabbelt. Je stort na het overlijden als een gebouw in. Daarna volgt een periode waarin wankele muren alsnog omvallen. Pas als al het instabiele omver ligt, kan er sprake zijn van een aarzelende wederopbouw, die een nogal grillig verloop kent.

Na weken gaat de verwerking met stappen. In het begin een stap vooruit, gevolgd door eenzelfde stap achteruit. Weldra alleen halve pasjes vooruit. En net als je denkt “het gaat beter”, komt die grote klap terug. Bam. Zomaar, als gevolg van een tedere herinnering of van inslaand besef heb je een slechte dag, draai je rond in depressieve gedachtes en zinkt de moed in je schoenen. Ongelofelijk dat iets simpels als het na maanden nog tegenkomen van een lange haar van Diny mij een dag van de wereld kan slaan. Of dat de geboorte van een lammetje mij tegelijkertijd kan vervullen met zowel vreugde als verdriet. Vreugde vanwege nieuw leven, verdriet omdat degene die daar echt van kon genieten, er niet meer is.

Gelukkig worden zulke dagen gevolgd door een relatief snel herstel, maar dergelijke klappen houden je nederig, want ze kruisen met regelmaat je pad, slaan onverwacht toe en brengen veel verwarring. Wel wordt je milder, empathischer en knuffelbaar. Uiteindelijk misschien sterker. In elk geval rijper. Een beter mens? Ik kan het alleen maar hopen.

Ik ben namelijk nooit een erg emotioneel mens geweest. Altijd rationeel, altijd concrete antwoorden zoekend, een systeemdenker, een “blauwe” persoonlijkheid. Door het overlijden van Diny is de deur van de stoffige archiefkast, waarin mijn emoties opgeslagen lagen, open gezwaaid en er is van alles uitgevallen. Eigenlijk is het best prettig om emoties met je op de loop te laten gaan. Zeker voor westerse mannen is het in de moderne wereld niet gepast om in het openbaar tranen te laten vloeien. Maar het overkomt je en die tranen vangen altijd het medeleven van omstanders. Laten we de archiefkast vooral nooit meer sluiten.

Er is ook spijt. Omdat emoties je empathischer maken, had ik voor Diny een betere man kunnen zijn als de emotie-kast destijds wel toegankelijker geweest zou zijn. Zo zijn er vaker van die “had ik maar” momenten. Tijdens de verwerking vreten ze aan je, maar laten we hopen dat ze hun vruchten in de toekomst gaan afwerpen.

Het lichaam lijdt mee: niet alleen in de vorm van tranen, het uit de pijn van een geestelijke kneuzing via hartzeer. Hartzeer is geen verzonnen woord, het bestaat echt: een beklemming die je precies doet voelen waar je hart zich bevindt.

Ooit heb je iemand in je hart gesloten. Als die altijd sluimerende aanwezigheid in je hart plots wegvalt, dan voel je letterlijk pijn. De leegheid en het gemis trekken je hart samen tot zelfs voorbij het punt van pijn. Je zou een etiket op je borst geplakt willen: “Voorzichtig, breekbaar”.

De strakheid van het eerder genoemde harnas voelde ik over het hele lichaam, al de eerste seconde na het overlijden van Diny. Als een korset van moeheid dat het lichaam insnoert. Als een zware last die je op elk plekje draagt. Een last die niet verdwijnt door rust of slaap: je bent murw geslagen.

Het wegvallen van je maatje voelt alsof er een stuk van jezelf verdwenen is. Er is iets kwijt en de rauwe wanhoop tracht het te vinden, wetende dat het zinloos is. Je emotionele en rationele geest draaien om elkaar heen. Als twee katten die niet weten of ze zullen vechten of liefhebben.

Wat een achterblijver vooral helpt, is gezelschap. “Sterkte” is goedbedoeld medeleven van derden, maar niet voldoende. Natuurlijk zijn er momenten waarop je sterk moet zijn, maar mentale sterkte is niet anders dan fysieke sterkte: het put je na verloop van tijd uit. Een troostende arm om je heen, iemand die de tranen van je wangen wist, een knuffel, medeleven en het uitwisselen van indrukken en gevoelens, maken de verwerking dragelijk en brengen je naar de weg omhoog.

Jezelf terugtrekken in je verdriet is het slechtste wat je kunt doen. Dat houdt het pantser in stand. Het staat gelijk aan bijvoorbeeld het blijven doorlopen met een longontsteking of een gescheurde spier. Als het al geneest, dan slecht. Daarnaast werp je een drempel op voor goedwillende derden, die bereid zijn om jou te helpen. Die soms zelf ook hulp behoeven, want rouw is niet voorbehouden aan alleen de achterblijvende partner. Juist de achterblijver kan troost het best verwoorden en bieden. Door anderen te troosten, troost je ook jezelf.

Het gemis is -zeker de eerste tijd- enorm. Later draag je het constant bij je als een chronisch zeurende pijn. Hoewel gezelschap van derden helend werkt, het verdriet op den duur slijt en de rouw zich langzaam doorleeft, blijf ik haar missen. Ik mis haar rustige aanwezigheid, haar lach, het praatje om niets, het gezamenlijke plezier, de warme en levendige keuken als je binnen komt, het gedwarrel om elkaar heen, al de kleine waardevolle dingen die iedereen normaal vindt zolang ze er zijn. Ja, zelfs de zeldzame woordenwisselingen mis je. Heel dubbel: je mist ook de warme en liefdevolle intimiteit van lichamelijk contact met je maatje, zoals een innige omhelzing of tedere kus. En dat juist in een periode waar je het echt, echt nodig hebt, terwijl een ander je dat niet kan -niet mag- bieden. Je hebt er grote behoefte aan, maar staat het nog niet toe, want het brengt vooral verwarring.

Als het eerste verdriet van het verlies is verwerkt en het bezoek minder wordt, slaat niet alleen de eenzaamheid toe, je gaat ook denken hoe het nu verder moet. Nadenken over de toekomst kent twee gezichten die elkaar afwisselen: hoop en onzekerheid. Diny en ik hadden namelijk een gezamenlijke missie: zo duurzaam als mogelijk leven. De aarde een beetje beter achterlaten dan we hem gekregen hebben. Een voorbeeld trachten te zijn voor anderen. Pionieren door met vallen en opstaan een levensstijl te ontwikkelen die mogelijkerwijs de tijd vooruit is. Die gezamenlijke droom is nu deels vervlogen. Toch ben ik blij dat we onze droom jarenlang tevreden en gelukkig hebben kunnen leven. Misschien in de ogen van anderen niet de meest comfortabele manier van leven, maar het bood ons een ongekende vrijheid met veel genoegdoening. Het smeedde een onlosmakelijke band. Die nu alsnog verbroken is, waardoor de missie kreupel gaat. Ik hoop de draad ooit weer te kunnen oppakken, maar alleen zal dat waarschijnlijk niet lukken. Dus voorlopig slinger ik heen en weer tussen hoop en onzekerheid.

Het verleden kun je alleen maar koesteren en ervan leren. De toekomst zit normaal gesproken aan een touwtje met dromen en verwachtingen. Die nu aan gruzelementen liggen. Dus eigenlijk telt alleen het hier en nu. En zo krabbel je verder. Je leeft niet meer, je bent alleen maar. Daar waar het dagelijkse leven van anderen zijn oude gangetje gaat of zich hervindt, daar hinkelt het jouwe door. Dus zelfs het hier en nu gaat mank. In feite ben je alleen maar aan het wachten. Totdat deze ellende doorleefd en voorbij is en je de moed hervindt om de draad van het leven weer enigszins te kunnen oppakken.

Nietsdoen was een belangrijke en zinvolle bezigheid tijdens ons samenzijn. De eerste tijd na het wegvallen van Diny was ook gevuld met nietsdoen. Echter, vrijwillig nietsdoen ter ontspanning, genezing of zelfs verrijking (vergelijk het met yoga of meditatie) is heel wat anders dan gelatenheid, omdat je de moed is ontnomen. Het verschil tussen vrijwillig ergens voor kiezen en overweldigd worden door een gebeurtenis waarop je geen invloed hebt. Van gezamenlijke vrijheid naar een eenzame geestelijke opsluiting, niet omdat je iets verkeerd gedaan hebt, maar omdat je iets kwijt bent. Omdat je bestolen bent. Hoe oneerlijk: de omgekeerde wereld. Het lot is een crimineel die overal mee weg komt en tot in lengte der dagen zijn gang kan gaan.

Misschien niet helemaal objectief, maar in mijn beleving heeft een gedetineerde het beter dan iemand in de rouw. Een gedetineerde zit fysiek gevangen, een achterblijver geestelijk. Wat is erger? Een gedetineerde weet wanneer hij weer vrij komt en kan daar naartoe leven. Een achterblijver weet niet wanneer er weer bovenop te zijn en voelt zich gegijzeld door verdriet, onzekerheid en verwarring.

Een gedetineerde heeft meer contact met mensen dan ik. Ik heb niet eens een cipier. Oké, dat is m’n eigen schuld, omdat ik geen baan wil en m’n sociaal netwerk niet heel groot is.

Af en toe een dag werken lijkt therapeutisch te werken. Het verlegt je aandacht en gezelschap doet simpelweg goed, al is er een duidelijk verschil tussen afleiding door babbelen over koetjes en kalfjes en daadwerkelijke rouwverwerking door diepe en intense gesprekken. Met alle emoties die het losmaakt. Afleiding is dus zeker niet hetzelfde als verwerking door doorleving. Afleiding is hooguit zinvol als eerste aanzet om uit een negatieve stemming te geraken. Wat de vraag oproept of je niet beter negatieve stemmingen kunt voorkomen. Om twee redenen niet. Allereerst moet je naar mijn mening dwars door het moeras van de wanhoop kruipen. Pas dan “doorleef” je de verwerking. Plezierig is anders, maar je kunt het niet uit de weg gaan, omdat er uiteindelijk geen omweg blijkt. Daarnaast is mijn eigen ervaring dat melancholie ook zijn positieve kanten kent. Mijn gedachten gaan in een melancholische stemming sneller en dieper. Het brengt me naar denkgebieden waar ik nog nooit geweest bent. Melancholie creëert bovendien prikkelende kunst en filosofische schrijfsels. Dus ja, hoe onprettig het ook voelt, melancholie kan ook nuttig zijn. Zolang het geen permanente geestestoestand is.

Ik ervaar nogal eens wat men een “emotionele kater” noemt. Je hebt van die dagen met meer dan gemiddeld contact met anderen, zoals in de vorm van een feest. Oppervlakkig en optimistisch contact. Dat is plezierig en geeft je een blij gevoel. Maar de opvolgende dagen zijn van depressieve aard. Zeker als die dagen weinig afleiding kennen. Een light-versie van manisch-depressiviteit.

Je zou het niet verwachten, maar emotionele katers komen niet voor na dagen die gevuld zijn met diepzinnigheid of creativiteit. Integendeel, zulke dagen brengen mij nieuwe moed en levenslust. Nu ben ik iemand die het leven ernstig neemt en veel nadenkt, dus het zou kunnen dat om die reden diepzinnigheid en creativiteit, ondanks dat deze ook plezier brengen, niet tot emotionele katers leiden.

Ik beschouw rouw inmiddels als een bepaald volume dat je moet verwerken. Denk aan wat ik schreef over het moeras: je kunt er niet omheen. Je kunt recht door het diepe deel van het moeras zwemmen en veel rouw in een relatief korte, maar intense tijd doorleven, al zal het gemis voor altijd als een sluier over je leven hangen. Je kunt ook de lange route door de ondiepe rand van het moeras kiezen en zo de rouw met beetjes verwerken over een langere periode. Tenminste, als alles goed gaat en je er niet in blijft hangen of omgekeerd: dat je de rouw opzij duwt en deze na jaren je alsnog in de rug schopt.

Het is mogelijk (ik bespeur het bij andere achterblijvers) dat er midden in het moeras een ondiepte is. Je krijgt voet aan de grond en denkt er doorheen te zijn, waardoor je je nieuwe leven te vroeg oppakt. Als het dan stuk loopt, lijkt het me heel lastig onder ogen te zien dat je nog een moeilijke weg moet gaan door weer opnieuw te gaan zwemmen. Sommigen blijven op hun eiland, bouwen er een muurtje om en blijven hangen tussen hun oude leven en nooit bereikte nieuwe leven.

Factoren die naar mijn mening een rol in de verwerking spelen, zijn:

-karakter, -huiselijke/werk/familie omstandigheden,

-kon je een deel met de overleden partner verwerken,

-had de overledene er vrede mee,

-de doodsoorzaak,

-wel of geen doodsstrijd,

-hoe intens en positief was de relatie met je maatje,

-hoe je naasten erin staan,

-zelfs het weer is van invloed,

En zo kan ieder er nog een paar persoonlijke items bij bedenken. Ik beschouw karakter als de meest invloedrijke factor, omdat karakter aan het roer staat. Zou moeten staan.

Zelfs na maanden zijn er nog elke dag tranen. De ene dag meer, de andere dag minder. Maar de uiting verandert langzaam. Eerst ging je letterlijk door de knieën en begroef je je schreiend gezicht in je handen. Ingestort tot een hoopje doffe, bittere wanhoop. Later schuift je stemming op richting meer levensvreugde en zijn het tranen op een geheven, glimlachend hoofd. Juist dit zijn tranen waarvoor je je niet schaamt. Integendeel. Je straalt daarmee herstel en positiviteit uit naar je gezelschap.

Ondanks dat ik geen groot muziekliefhebber ben, helpt muziek mij wel om depressieve stemmingen te keren. Met name de muziek die we vroeger samen draaiden in prettige omstandigheden. Destijds een soort drie-eenheid van partners en hun gedeelde interesses. Nu zijn er nog maar twee over, maar dat is altijd beter dan (all)een. Met het volume een tikje te hoog, gezeten in een luie stoel en de ogen gesloten, omgeeft en draagt muziek je naar ontroering. Verdriet, door muziek omgezet in ontroering, doet tranen vloeien over het eerder al genoemde geheven, glimlachende gezicht. Huilen door verdriet mag opluchten, huilen door ontroering geneest.

Creëren of scheppen helpt de verwerking. Het opschrijven van je ervaringen is niet alleen verhelderend, je bouwt een verhaal op tot een afgerond geheel. Een geconcentreerd en toegankelijk pakketje emotie dat je kunt delen met anderen en waar je zelf ten alle tijde in kunt roeren. Schrijven van tekst of gedichten, knutselen, koken, of misschien zelfs het maken van kunst in de breedste zin van het woord: de emotie vloeit uit je vingertoppen. Zeker als de creatie een laatste eerbetoon aan je verloren partner is, dan heelt dat het gemoed.

Scheppen is niet hetzelfde als werk. Sommigen zullen zich op hun werk storten. Daar heb ik zo mijn bedenkingen bij, als dat van langere duur is. Het is al snel een vlucht of een verslaving, waar je moeilijk weer uit komt. Nogmaals: afleiding is niet hetzelfde als verwerking via doorleving.

De extra huishoudelijke taken -ik nam voorheen al een deel voor m’n rekening- vallen me niet zwaar. Alleen die ene, Diny’s grote passie: het koken. Het voelt zelfs na maanden nog niet goed, ondanks dat het me best aardig afgaat. De start was verkeerd, omdat ik haar favoriete bezigheid als een verplichting opgedrongen kreeg. Het alleen eten helpt ook niet echt. Koken met een gezelschap is wel prettig, net als het bakken van taarten of koekjes, die je later met anderen deelt.

Zon en buitenlucht frissen lichaam en geest op. Genetisch zijn we nu eenmaal natuurwezens. Daar doet de moderne welvaarts- en comfortmaatschappij niets aan af. Sport of andere lichamelijke inspanning werkt. Het is alsof je de geestelijke kwelling door je spieren laat opbranden. Lichaam en geest zijn veel meer met elkaar verbonden dan we beseffen.

Zon straalt en wind blaast negatieve gedachtes weg. De lente brengt nieuw leven en daarmee levenslust. Die eerste zingende merel, dat bloeiende sneeuwklokje, ineens vangen ze je volle aandacht en toveren een tevreden lach op het gezicht.

Analyse van de emotionele achtbaan laat je als een buitenstaander naar jezelf kijken. Een boek over rouwverwerking brengt deels herkenning, deels begrip en stuurt je de goede richting uit. Wie niet sterk genoeg is voor dergelijke zelfhulp, doet er goed aan om iemand te raadplegen, die zelf een verlies goed verwerkt heeft. Mocht niets werken, dan is professionele hulp het laatste redmiddel. Iemand die lichamelijk niet lekker is, gaat naar de dokter. Voor geestelijk lijden hoort dat niet anders te zijn.

De psychiatrie onderscheidt vijf fasen van rouw: ontkenning, onderhandelen, woede, depressie en aanvaarding. Hoewel ik er eerst anders over dacht, vind ik dat nu een vrij algemene, bijna zakelijke vaststelling. De fases hoeven niet na elkaar te komen. Niet iedereen doorloopt ze allemaal. Men kan ook in een fase blijven hangen en in dat geval heelt tijd niet langer alle wonden, maar houdt ze open.

Persoonlijk voel ik niet eens verschillende fases. Eerder een continuüm van gecombineerde aanvaarding en een milde, handelbare depressie. Als je partner in jouw bijzijn sterft, dan kun je niet anders dan aanvaarden, hoe graag ook je zou willen het ongedaan te maken. Je kunt niet verder, maar je gaat verder. Voor jezelf en voor je omgeving. Daarnaast denk ik dat, als je er eenmaal doorheen bent, je daarna alles aankunt. Je bent zo diep gegaan dat niets in het leven nog moeilijk is.

Je kunt niet verder, maar je gaat verder. Je zou kunnen stellen: omdat het moet. Dat is slechts ten dele waar, want je moet niets. Alleen voor naasten die afhankelijk van jou zijn, kan de dwang van moeten een rol spelen. Voor jezelf ga je verder, omdat het alternatief jouw eigen einde inhoudt. Onbewust weet je dat. Desondanks laat de keuze zich niet leiden door dwang.

Het is verbazingwekkend hoe snel je de slechte eigenschappen van je overleden partner uitbant. En eigenlijk ook weer niet, want mensen plegen graag het onprettige te vergeten en het mooie en goede te onthouden. Ik weet niet of dit nu goed of slecht is voor de rouwverwerking. Enerzijds zou je kunnen stellen dat het meenemen van de minder goede eigenschappen van je maatje de aanvaarding makkelijker maakt. Anderzijds voelt het gewoonweg fijn om alleen de positieve herinneringen te bewaren. Uiteindelijk zal het laatste winnen en gelukkig maar, alhoewel enige objectieve reflectie tijdens de verwerkingstijd ervoor kan zorgen dat je met beide benen op de grond blijft staan. Het voorkomt daarnaast uiteindelijke verering van en altaren voor de overledene. In mijn opinie blijft iemand, die een altaar voor zijn of haar overleden partner opricht, vrijwillig in de rouw hangen.

Rouw lijkt op een steentje in je schoen: in het begin nadrukkelijk pijnlijk aanwezig. Na verloop van tijd kapselt het wat in de zool en tegelijkertijd went je voet eraan. Maar het blijft op de achtergrond altijd aanwezig, waarbij er momenten zijn dat het zich door omstandigheden weer pijnlijk manifesteert. Je wilt het niet, maar het wordt deel van je nieuwe leven.

Een nieuw leven. Omdat het oude nooit meer terug komt. In mijn visie is het zinloos en werkt het zelfs averechts om te streven naar het één op één willen oppakken van van je oude leven zoals je dat samen met je maatje deelde. Zeker als op termijn een nieuwe partner dat nieuwe leven invulling gaat geven. Zolang je overleden levensgezel daar nog tussen staat, omdat jij je nog aan de verkeerde kant van de spiegel bevindt, en je vergelijkingen gaat trekken tussen nieuw en oud, verwoest je jezelf, een nieuwe relatie en daarmee de toekomst. Een nieuw leven betekent jezelf aanpassen aan nieuwe keuzes en uitdagingen, bijstelling van oude toekomstdromen en vooral aanvaarding dat het zo is.

Ik kan Diny niet meer om een oordeel vragen. Ze blijft weliswaar voor altijd een deel van mijn leven, maar als een vitrinekast vol herinneringen. Ik kan er alleen naar kijken en dat wat ik samen met haar deelde, koesteren.

Koesteren. Niet méér: geen verering van iemand die nooit meer terug komt. Niet minder: ze was het waard.

John Akkermans

Over Duurzaam Leven

Als feuilleton gepubliceerd in de periode van 10-10-2015 t/m 28-4-2016 in dorpsblad De Schakel, Haps

1.Introductie in permacultuur

Naar aanleiding van ons spotlight-interview in de Schakel van 12 juni en daaruit voortgekomen vragen van lezers, wil ik iets meer uitleg geven over onze manier van duurzaam leven en de methode die we daarvoor gebruiken: permacultuur.

Nu is de definitie van permacultuur vrij lastig uit te leggen. Er zijn wollige boeken over geschreven die je een idee geven, maar er blijft een waas van zweverigheid omheen hangen. Kennelijk teveel oude hippies die meenden erover te moeten schrijven…. Niettemin, als nuchtere Brabander van boerenafkomst zie ik er een toekomst in. Aangezien het de bedoeling is om een reeks van artikelen te gaan schrijven over wat wij hier aan de Lokkant doen, zal de Hapse Schakel-lezer te zijner tijd vanzelf gaan begrijpen wat permacultuur inhoudt.

Laten we beginnen met het meest toegankelijke onderwerp van permacultuur: de voedselvoorziening. En met name de menselijke maat daarvan: de moestuin. Ik weet het: om moestuinieren hangt nog steeds een aura van oude mensen met teveel tijd of zweverige bloemenkinderen. In de grote steden denken ze daar inmiddels anders over; daar is het hartstikke hip…
“De menselijke maat” is trouwens een kernbegrip in de permacultuur.

Wat zegt permacultuur in het algemeen, maar met name over moestuinieren: “houdt de kringlopen kort en gesloten”. Zo maakt de permatuin geen gebruik van externe mest. Misschien even om de zaak de eerste jaren op te starten, maar daarna niet meer. De bedden in de permatuin zijn altijd bedekt met levend of dood organisch materiaal. Levend materiaal kunnen de geteelde groenten zijn, maar ook groenbemesting. Dood materiaal kan zijn het loof dat achter blijft, keukenafval of blad- en snoeiafval. Dit is totaal anders dan het aloude beeld van netjes aangeharkte bedden waar de grond bloot ligt. Maar dat is vechten tegen de natuur. De natuur zorgt dat kale grond na verloop van tijd weer bedekt raakt. Meestal met spul dat wij juist niet willen: onkruid. Daarom vechten we beter niet tegen de natuur, maar proberen we ze te leiden. Dat laatste is ook een permabegrip: “volg de systemen van de natuur”.

Als je de grond bedekt houdt, krijgt onkruid geen kans. Dus schoffelen wordt iets van vroeger. Bedekking verhindert ook uitdroging. Scheelt weer in het sproeien. Maar het wordt nog mooier: de bedekking verteert langzaam. De pieren en ander bodemleven voelen zich prima thuis in de vochtige aarde onder de bedekking en zetten die organische laag langzaam om in meststoffen voor de planten. De natuur doet niet anders. Natuurlijk verdwijnt er organisch materiaal door het oogsten en spoelt een deel van de voedingsstoffen uit door regen. Al is die uitspoeling geringer dan bij kale grond, omdat de bedekking en de humus werken als een spons. Deze tekorten kunnen we aanvullen met organisch “afval” dat op kruiwagenafstand te vinden is: blad- en snoeiafval, bermmaaisel, slotenveegsel.

“Ja,ja, Sjonny, maar die bedekking ligt toch in de weg als je gaat spitten?” Dan heb ik goed nieuws, want we hoeven nooit meer te spitten. Na enkele jaren is de teeltlaag losgewerkt door de pieren. De humus ligt daar mooi doorheen onder een beschermde afdeklaag. Zou je nu gaan roeren in de grond, dan belucht je die teveel, waardoor het bodemleven een groot deel van de humus snel verteert. Het resultaat is één jaar hele grote planten en daarna moet je weer opnieuw beginnen. Dus: afblijven en laat de natuur zelf zijn tempo bepalen. En nooit meer met je poten op die bedden gaan staan!

De tuin wordt zo een soort platte composthoop. Toch blijft het handig om daarnaast een gewone composthoop erbij te hebben. In het volgende artikel zal ik uitleggen waarom. Nu we het toch over compost maken hebben: er zijn twee manieren: een snelle en een langzame. Bij de snelle manier werk je met luchtige, goed gemixte lagen door regelmatig omzetten. Na enkele maanden is het afval verteerd. Ik ben daar te lui voor en gooi alles willekeurig op een hoop. Die schep ik in de winter één keer om naar een andere hoop en een jaar later is het als potgrond. Nog een tip wat betreft de composthoop. Plant er een paar pompoenen op. Ze houden deze bedekt en voorkomen zo uitdroging. De pompoen is op zijn plek, want deze heeft graag voedselrijke grond. Gooi de pompoenresten met de pitten terug op de composthoop en je hoeft nooit meer pompoenen te zaaien of planten. Alleen uitdunnen.

Deze wijze van tuinieren is dus een behoorlijk luie methode. Jij brengt geen snoei- en bladafval naar de milieustraat om daar later weer compost terug te laden. Jij hebt de pieren die dat voor je doen. De schoffel, steekschop en de gieter -en daarmee jij- krijgen het ook rustig. En dat terwijl de bodem tot rust en in evenwicht komt. Er is wel een luxe probleem. Je moet af van het beeld van kaarsrechte rijtjes groenten op kale grond. Dat zit bij velen nog vast tussen de oren. Beestjes en ziektes houden van één soort groente in een recht rijtje. Daarom houden planten niet van rechte rijtjes. En wij ook niet. Volgende keer meer daarover.

2. Polycultuur

Vorige keer hebben we het over moestuinieren in de permacultuur gehad. Ik wil aan tuinieren en voedselvoorziening nog een paar artikelen wijden, voordat we permacultuur en duurzaam leven in bredere zin aan bod laten komen. Om ongeïnteresseerde tuinhaters intussen wat stof tot nadenken te geven: wij permaculturisten (of permies) denken heel anders over rijkdom. De oude definitie van rijkdom is: zoveel geld bezitten, dat het je onafhankelijk maakt. Wij zeggen: jezelf zo onafhankelijk als mogelijk van geld maken. Ongeveer dezelfde woorden, maar een totaal andere insteek….
Ik kom er later op terug.

Terug naar de tuin. Monocultuur, ofwel velden met maar één soort planten, zijn vatbaar voor ziektes en schadelijke beestjes. Dat begint al aan de wortels. Alle planten zuigen dezelfde mineralen op en geven dezelfde stoffen af. Het trekt de bodemhuishouding scheef, waardoor de planten zichzelf uiteindelijk tekort doen. Beestjes hebben het heel makkelijk, want ze hoppen van de ene naar de volgende plant, omdat er geen afstotende plant in de buurt staat. Om nuttige insecten en insecten etende vogels aan te trekken, wil je bloeiende lokplanten en struiken in een monocultuur.

Elke moestuinier kent de combinatie worteltjes en uien. De ui houdt de wortelvlieg weg en de wortel verjaagt de uienvlieg. In de permacultuur gaan we nog een stap verder en noemen dat polycultuur. Poly betekent veel. Je zaait vijf tot twintig soorten in één keer door elkaar op een teeltbed. “Hej Sjonny, dat kan niet, want je hebt er bedekking op liggen”. Scherp opgemerkt. We nemen daarom de bedekking weg en vervangen die door een laagje fijne, kruimige compost. Daar hadden we die aparte composthoop uit het vorige schrijven voor gemaakt, weet je nog? Compost lichtjes inkrabben en het zaad zaaien. Als je het hebt, kun je nog wat gehakseld stro erover strooien, maar niet als gesloten laag. Deze bedekking van compost en stro is weliswaar dun, maar het is er een. Weldra is het hele bed groen (onkruid krijgt geen kans) en kun je de eerste slablaadjes oogsten. Oogsten in de permacultuur betekent afsnijden aan de grond. Wortels die we niet nodig hebben, blijven zitten. Op de vrijgekomen plekken kun je bijvoorbeeld koolplanten zetten. We zaaien ook kruiden als dille, koriander en venkel in het polybed. Lekker in salades en ze trekken nuttige insecten aan. Het zaad in het najaar oogsten en drogen voor gebruik in de keuken.

Omdat je dicht zaait, groeit niet alles even snel. Zo zal de eerste portie sla bestaan uit nogal wat iele plantjes. De vrijgekomen plaats maakt ruimte voor kleine en later grote kroppen. Maar er zijn ook plantjes die langere tijd achterblijven, omdat ze in de schaduw van een andere plant staan. Totdat die geoogst is en het kleine plantje kan doorgroeien. Eén keer zaaien en het hele seizoen oogsten. Zonder spitten, schoffelen en vaak water geven. Geweldig toch?! Kost wat meer zaad, maar een beetje moestuinier laat een paar planten doorschieten en wint zo zijn eigen zaad.
Het is verbluffend hoe de planten vrij blijven van vraatzuchtige beestjes. Zelfs geen slakken.
De meeste planten worden niet zo groot als vrijstaande exemplaren. Het is nu eenmaal vol in een polybed. Maar de totaalopbrengst per vierkante meter is groter dan alles apart in monocultuurmeters opgeteld.

Niet alles doet het goed in de polycultuur. Aardappelen passen er slecht tussen, vanwege hun ver uitwaaierende loof. Dus die krijgen hun eigen teeltbed tussen de polybedden, zodat nuttige insecten niet ver hoeven reizen. Wij gebruiken een vroege soort en poten die al in november. “November? Sjonny, ben je wel goed wijs?” Ik ben nogal slordig in het erpel rooien en vergeet er wel eens een. De winter kan nog zo streng zijn, maar uitkomen doet die vergeten pieper. En op een of andere manier is die heel vroege pieper ook nog bestand tegen nachtvorst in het voorjaar…. Daarom: voor de winter; niet te diep poten en een dikke, maar luchtige isolerende bedekkingsdeken erover. Zo bevriezen ze niet, groeien mooi bovenin en verdrogen niet. De jonge aardappelscheuten vinden in het voorjaar zonder problemen hun weg door de bedekking. “Da’s mooi, maar hoe kom ik aan poters in het najaar?” Die heb je een paar maanden eerder geoogst. Zelf poters door de winter helpen is lastig, omdat ze meestal te vroeg uitlopen. Nog een reden om voor de winter te poten. Wel komen ze iets later uit, omdat de aarde onder de isolerende bedekking traag opwarmt in de lente.

Als nateelt planten wij wintergroentes op het pieperbed: spruitkool, boerenkool en prei. Het jaar erna kan er polycultuur op. En het is misschien vloeken in de kerk: het derde jaar weer aardappelen! Vruchtwisseling is bij polycultuur een relatief begrip. Wat moet je nog wisselen als je in één seizoen tien of meer verschillende gewassen bij elkaar hebt gehad? Zaai ook afrikaantjes en goudsbloemen. Ze houden aaltjes weg en brengen wat kleur.

Uien doen het niet goed in bedekking en in polycultuur. Die telen wij daarom samen met de wortelen en met compost als bedekking. Volgend jaar proberen we een derde en misschien een vierde gewas erbij in hetzelfde bed.

In de volgende Schakel gaan we het hebben over een eetbare tuin ofwel voedselbos. De overtreffende trap in kleinschalige voedselkweek. Functioneel, weinig werk en mooi tegelijk.

3. Voedselbos

Vorige keer vertelde ik over polycultuur, een veredelde vorm van moestuinieren. Een prima methode om op een luie manier éénjarige groenten kleinschalig te verbouwen. Meerjarigen passen daar lastig tussen, daarom zetten we die apart. Denk aan asperge, rabarber en kleinfruit zoals frambozen, bessen en aardbeien. Meestal staan ze in de klassieke rijtjes. Op zich niks mis mee als je de bedekking in acht blijft nemen. Maar het kan beter.

De ultieme manier van kleinschalig kweken van groenten en fruit in de permacultuur is het voedselbos. Ook wel plukbos of eetbare tuin genoemd. Simpel gezegd is het een tuin die een boomgaard met eetbare vaste planten combineert. Alle lagen komen aan bod: hoogstam bomen, lage bomen, struiken, klimplanten, de kruidlaag, de bodembedekkers en de knolgewassen. Hoge bomen bij voorkeur verspreid en aan de noordzijde om de overige lagen voldoende zon te gunnen. De indeling mag speels zijn. Waarom zou iets dat functioneel is niet tegelijkertijd mooi mogen zijn?

De indeling van een voedselbos werkt met zogenaamde gildes. Centraal in zo’n gilde staat een fruit- of notenboom. Rondom die boom groeien planten en struiken die bij die boom en bij elkaar passen. Ze verzorgen elkaar. Denk bijvoorbeeld aan narcissen rondom de stam. Zij verhinderen grasgroei en houden knaagdieren weg die het op de schors voorzien hebben. Of planten die bijen aantrekken, wat de narcis als ongeveer eerste bloem in het jaar er nog bij doet.
Het stapelen van functies (ofwel het dienen van meer doelen), zoals bij de narcis, is een typisch kenmerk van permacultuur. Net als het overlappen van functies. Mocht er een plant of een onderdeel uitvallen, dan nemen andere dat over. Dat maakt permacultuur sterk en weerbaar.

Sommige planten stoten schadelijke insecten af. Andere trekken vogels aan, die op hun beurt meehelpen in de verzorging. Je stuurt zo goed mogelijk naar natuurlijk evenwicht toe. Wat zich thuis voelt, gedijt en wat wegkwijnt, hoort er kennelijk niet thuis. Ik heb een boek over de aanleg van een pluktuin gekocht en volg voor het ruwe ontwerp de beschreven richtlijnen. Verder vullen we het aan met wat beschikbaar is. Overschotten van opgekweekte éénjarigen gaan er ook tussen. Maar ook bloemen, want de bijen, het oog en het gemoed willen ook wat.

Ook in het voedselbos is de grond altijd bedekt. De eerste jaren met organisch afval, eventueel met een eenmalige laag strorijke vaste mest voor het duwtje in de rug. Later houdt het zichzelf bedekt. Onderhoud beperkt zich tot snoeien. Neem op de wandeltochten door je mooie eetbare tuin een snoeischaar mee, knip hier en daar een scheut af, maak die kort en laat het vallen op de dichtstbijzijnde kale plek. Geen gesleep meer met mest of snoeiafval. Het enige dat je hoeft te doen is te schielijk groeiende planten en takken wat intomen.

In de natuur werkt het als volgt: een kale vlakte wordt al snel ingenomen door pionierplanten zoals grassen en planten die wij onkruid noemen. Deze bemesten de grond, houden water vast en zijn zo de basis voor de volgende generatie: struiken. Na de struiken komen de bomen. En als de mens er vanaf blijft, eindigt het als een donker oerbos. Wij willen ons voedsel eruit halen, dus onze pluktuin mag niet uitgroeien tot een volwassen bos. Vandaar dat we de natuur een beetje moeten afremmen. Maar dat is altijd nog minder werk dan grond bewerken, bemesten en zaaien. Elk jaar weer.

Dat betekent niet dat éénjarigen verboden zijn, integendeel, het blijven de meest smakelijke groentes. Ik kies graag voor gretige zelfzaaiers als pastinaak, veldsla, snijmoes, venkel, rucola. Eén keer zaaien is genoeg. Het blijft terugkomen alsof het onkruid is. Maar liever ermee, dan erom verlegen zitten, nietwaar?

Voedselbos klinkt meteen als groot. Hoeft niet. In de gemiddelde stadstuin zul je weinig hoogstam bomen kwijt kunnen. Dan neem je toch laagstam- of dwergfruitbomen? Of alleen struiken en vaste groentes? Zolang de zon er maar voldoende tussendoor kan schijnen. Ons voedselbos in wording meet 1.000 vierkante meter. 100 kan ook. In Groesbeek ontstaat een pluktuin van 20.000 vierkante meter, genaamd Ketelbroek. Een aanrader om eens te bezoeken. Of kom onze tuin eens bekijken.

Wat betreft de omvang van een perma-moestuin, zoals beschreven in het vorige artikel: wij telen op 180 vierkante meter alle kruiden, eenjarige groenten en kleinfruit voor het jaar rond. Alles. Het zou zelfs kleiner kunnen als we iets minder nonchalant waren. Vegetariërs zullen wat meer oppervlak nodig hebben. Een gezin van drie, dat alleen zomerse groentes wil, heeft daarentegen genoeg aan 20 vierkante meter polycultuur. Onze bedden zijn met 1,2 meter breed en paden van 30 centimeter vrij conventioneel, maar je kunt allerlei vormen bedenken. Bijvoorbeeld een border uit de siertuin omzetten naar groentenbed. Dat sierstruikje vervangen door een bes. De sierkers door een echte kers. En voordat je het weet, heb je een eetbare tuin.

De term permacultuur bestaat nu ongeveer 40 jaar en dit alles klinkt als moderne kennis, maar dat is het niet. Op plaatsen waar vroeger indianenstammen woonden, vond men restanten van moestuinen tussen de ruïnes en het oerwoud. De rand van dat oerwoud bestaat nu nog uit verrassend veel eetbare bomen, struiken en planten die daar eigenlijk niet thuis horen. Ondanks alle plantenkennis die we tegenwoordig bezitten, zijn we veel van de vroegere kennis over de planttoepassingen vergeten en zijn we nog meer rassen kwijtgeraakt. Het lijkt er dus op dat we het wiel opnieuw aan het uitvinden zijn.

In de volgende Schakel wil ik het hebben over opschaling van de teelt volgens de permacultuur. Ofwel, kan de moderne landbouw hier iets mee?

4. Bedrijfsmatige permacultuur

De vorige artikelen gingen over kleinschalige voedselproductie volgens de permacultuurprincipes. De vraag die nu rijst is: kunnen we dit ook opschalen naar bedrijfsmatige omvang? Nee en ja. Niet volgens de huidige werkwijze in de landbouw en in de permacultuur. Wel door omdenken en de nodige aanpassingen.

Om alles in een helder licht te zetten, doen we er goed aan om eerst de historie van de landbouw op te halen. De mens begon ooit als jager-verzamelaar. Dat betekende een dagtaak om in voedsel te voorzien, veel reizen en een grote afhankelijkheid van de grillen van natuur, seizoenen en klimaat. Totdat de mens zich vestigde en voedsel ging verbouwen. Dit kostte minder tijd en de opbrengsten waren redelijk betrouwbaar. Maar het was nog steeds zeer arbeidsintensief, ondanks latere inzet van ossen en trekpaarden. Dat veranderde in de twintigste eeuw tijdens de groene revolutie. Goedkope brandstof en technologie konden meer werk verzetten dan mensen en paarden. Honderd jaar geleden was meer dan 30% van de bevolking werkzaam in de agrarische sector. Nu nog maar een paar procent. Voedselvoorziening is dus veranderd van arbeidsintensief naar energie-intensief.

Hoewel landbouwmachines steeds slimmer worden, kunnen ze nog steeds niet overweg met polycultuur. Hoe kunnen we opschaling en permacultuur bij elkaar brengen? De eerste pogingen zijn inmiddels ondernomen. Ik geef het extreme voorbeeld van de Singing Frogs Farm in Californië (http://www.singingfrogsfarm.com/). Zij halen enorme opbrengsten zonder gebruik van machines. Hun jaarlijkse bruto inkomsten bedragen het negenvoudige, vergeleken met de opbrengsten van omliggende conventionele bedrijven van gelijke omvang.

“Sjonny, vertel, hoe doen ze dat?” Welnu, zij hebben hun bedrijf in drie delen opgesplitst. Een zaaideel, een opkweekdeel en een compostdeel. In het zaaideel komen de zaailingen op, die -eenmaal uitgeplant op lange kweekbedden- uitgroeien en geoogst worden. Tot zo ver niet veel anders dan vollegrondkwekers in Nederland dat doen. De composttak van het bedrijf verwerkt het loof, samen met organisch afval afkomstig uit de omgeving.
Op één en dezelfde dag wordt ‘s morgens geoogst door simpelweg alles handmatig aan de grond af te snijden. De wortel blijft zitten en overtollig loof gaat naar het compostdeel. Op die afgesneden opkweekbedden (die gewoon 1,2 meter breed zijn) komt een laagje compost en ‘s middags plant men de zaailingen. De bedden bestaan uit één soort planten, dus een monocultuur. Om toch te kunnen profiteren van de voordelen van polycultuur, staan tussen de kweekbedden heggen met een grote variëteit aan vaste planten die nuttige insecten en vogels aantrekken. Ziektes kennen ze niet.

De Singing Frogs Farm heeft geen machines. De bedden zouden machinaal geoogst kunnen worden, maar door de goede opbrengsten kunnen ze personeel beter betalen dan omliggende bedrijven. Het schijnt er prettig werken te zijn. Mede door deze arbeidsvreugde onder het personeel blijven zij bij handmatige kweek en oogst.

In het koude Quebec in Canada wonen Jean-Martin Fortier en zijn vrouw Maude-Helene (http://www.themarketgardener.com/) die op een soortgelijke manier telen, al moeten zij vanwege het korte groeiseizoen in een verwarmde kas opkweken en kunnen slechts een paar oogsten per jaar halen. Ze telen 30 soorten groentes. Het paar werkt met enkele eenvoudige machines zeer intensief op minder dan een hectare en haalt er een netto jaarlijks inkomen van $40.000 vanaf. In de koude wintertijd houden ze 3 maanden vakantie. Jean-Martin heeft een boek geschreven over zijn bedrijf. Compleet, van de financiële balans, de manier van telen, het systeem van klantenabonnementen, tot het zelfgemaakte gereedschap toe. Ik heb het gekocht, dus wie wil, kan het inzien.

Wat hebben deze bedrijven gemeen? Ten eerste: een prima verzorging van de teeltlaag om groei te bespoedigen zonder gebruik hoeven te maken van dure kunstmest, bestrijdingsmiddelen en machines. Ten tweede: een strakke bedrijfsplanning, om zo efficiënt mogelijk met een gering teeltoppervlak om te gaan. Ten derde: voor een kwalitatief hoogstaand product mag je de hoofdprijs vragen. Als je bovendien de tussenhandel, lange transportafstanden en supermarktketens kunt omzeilen door rechtstreeks te verkopen via klantenabonnementen en boerenmarkten, dan steek je die marge ook in je zak. En als laatste: lage investerings- en exploitatiekosten. Ze werken gewoon minder voor de bank en meer voor zichzelf.
“Al wat je niet uitgeeft, hoef je niet te verdienen” is permacultuur, ook op andere fronten dan voedselvoorziening. Dat betekent niet dat je theezakjes moet gaan uitwassen, maar tussen dat en het hedendaagse denkpatroon wat betreft bestedingen, steken een heleboel grijstinten.

Omdat het Land van Cuijk het “Agro-food centrum” van Nederland wil worden, zouden pragmatische en vooruitstrevende initiatieven als de twee bovenstaande in onze regio niet mogen ontbreken! Ik zie ze in elk geval liever komen dan een slachterij…..

Kunnen we met permacultuur de huidige wereldbevolking voeden? Ik heb mijn twijfels. Al was het alleen maar vanwege het feit dat je bij wereldsteden teeltgrond tekort komt en omdat op de prairie geen mensen wonen. Maar de vraag die eerst komt is: kunnen we op de huidige manier de wereld langdurig blijven voeden? Eerst wat meer uitleg. De crux zit hem in de benodigde energie die nodig is voor voedsel. Elke kilocalorie modern voedsel komt tot stand met behulp van 10 tot 15 kilocalorieën fossiele energie. Onder fossiele energie verstaan we steenkool, aardolie en aardgas. Nu niet meteen verwijtend naar de bio-industrie wijzen; niet klagen over de boeren met je mond vol. De verdeling van die ingebrachte fossiele energie is als volgt: 1/3 deel gaat naar de landbouw, 1/3 deel naar voedselverwerking en transport en 1/3 naar uw boodschappenauto, uw koelkast en uw fornuis…. Dit maakt ook meteen duidelijk dat biologisch voedsel zoals dat nu verkocht wordt, echt nog maar een babystapje in de goede richting is. Biologisch geteeld voedsel is vaak net zo energie-intensief als voedsel uit de reguliere landbouw.

Maar dat terzijde. Niet alleen op gebied van voedsel is de steeds weer terugkerende vraag: “Kunnen we dit niveau van energieverbruik overeind houden?” Daar mag ieder het zijne van denken. Persoonlijk ben ik ook hier niet optimistisch over. Waar ik wel positief over ben, is ons eigen Nederland met zijn milde, vochtige klimaat en egaal verspreide woonkernen, die omgeven zijn door landbouwgrond. In Nederland hoeft voedsel nooit van ver te komen en het kan altijd groeien. Ik denk dat uiteindelijk de moderne energie-intensieve landbouw en de arbeidsintensieve bescheiden permacultuur naar elkaar toe groeien. Met horten en stoten. Met geven en nemen.

Dit was voorlopig het laatste artikel over voedselproductie volgens de permacultuurprincipes. Waar ik nog niets over geschreven heb, is vlees, zuivel en voedselverwerking. Daarover later. De nu volgende artikelen zullen gaan over de acht vormen van kapitaal. Hier alvast een plagerig zinnetje om over na te denken: “Sommige mensen zijn zo arm; alles wat ze hebben is geld”.

5. De acht vormen van kapitaal, deel 1

Zo, nu gaan we duurzaam leven in een wat dieper en breder licht zetten. Duurzaam leven zit aan een touwtje met zelfvoorziening: het praktische en meest in het oog springende onderdeel van permacultuur. De zelfvoorziener houdt de greep op zijn leven door -zoals het woord zegt- veel zelf te doen. Dat vraagt om brede kennis, kunde en ervaring. Een zelfvoorziener is geen specialist, hij kan alles een klein beetje. Hij is, zoals de Engelsen dat zo mooi noemen, een “Jack of all Trades, Master of None”.
Ik ben nog niet zover, maar doe m’n best. Om niet te lang in één project te blijven hangen, huldig ik tegenwoordig de 80-20 regel. 80% resultaat uit 20% inzet. Voor de laatste 20% perfectie doe ik niet langer 80% moeite. Heb dat wel altijd gedaan, maar perfectionisme is lastig, vooral voor mezelf. Bovendien wil ik verder en zijn vijf achten op het rapport viermaal zoveel waard als één tien…

Buiten het brede scala van praktische vaardigheden van de zelfvoorziening, staan daarboven de meerdere vormen van kapitaal waar de permie of permaculturist gebruik van maakt. De weerbare permie wedt niet op slechts één paard en hij kan nooit alles alleen bereiken. U voelt hem al: met geld als enige kapitaal kom je er niet. In de ogen van een permie is een rentenier een kwetsbaar en daardoor niet te benijden mens, als deze -buiten zijn financieel vermogen- weinig andere vormen van kapitaal bezit. Ik tip alle vormen slechts even aan en geef er een visie of persoonlijk voorbeeld bij.

Noem het woord kapitaal en de meeste mensen denken aan een bankrekening met een groot positief saldo. Uiteraard is geld een makkelijk medium om gewerkte uren om te zetten in benodigde goederen of diensten. Met ruilhandel loop je nu eenmaal een keer vast. Geld is maar één vorm van kapitaal en in ons achterhoofd weten we dat een soepel functionerend individu en de maatschappij meer smeermiddelen nodig hebben dan alleen geld. Financieel kapitaal is echter het meest dominant en het diepst aanbeden in de moderne wereld. Sterker nog: die dominantie heeft in de loop van de tijd veel van de andere vormen van kapitaal afgevlakt, smakeloos gemaakt of zelfs deels uitgeroeid. Je zou het kunnen vergelijken met eenzijdige voeding. Het kan wel, maar het is goed voor je en lekker om ook eens wat anders te eten.

Zelfs voor Diny en mij is geld nog steeds belangrijk. We willen niet helemaal terug naar middeleeuws comfort en de schaarse moderne luxe, maar vooral de verplichte lasten moeten nu eenmaal met euro’s betaald worden. Gelukkig druppelt het geld er hier uit, dus hoeft het ook maar binnen te sijpelen. Af en toe een dag in loondienst is voldoende. We kiezen vrijwillig voor een leven onder de armoedegrens in ruil voor een vrij bestaan. Je eigen tijd kunnen indelen is onbetaalbaar, terwijl het bijna niets kost…

Ik ga vrije tijd en vrijheid nog regelmatig aanhalen. Als ik terugkijk op het werkzame deel van m’n leven, dan leek het toen zo goed om mijn tijd te verkopen voor geld. Nu denk ik daar anders over. Je kunt met de mooiste tijd van de dag en de beste jaren van je leven veel interessantere dingen doen dan alleen omzetten in geld. Ik vind het daarnaast eng om afhankelijk te zijn van een groot inkomen, als dat nodig is voor hoge kosten en royale bestedingen. Dat is net als file rijden met honderd kilometer per uur. Dan liever met twintig over een lege weg sukkelen en intussen genieten van de reis.

Geld kun je niet eten. Daarvoor heb je leven nodig. Zonder levend kapitaal is een aards bestaan onmogelijk. Ons voedsel, maar ook de zuurstof die we inademen, is uiteindelijk geheel afkomstig van bomen en planten. Drinkwater mogen we ook bij het levend kapitaal rekenen. Net als gezondheid. Alle reden dus om er zuinig op te zijn. Natuurlijk kun je met geld voedsel kopen. Maar zonder een gezond milieu geen gezond voedsel. Het milieu is niet goed te houden door er een bak geld tegen aan te gooien. Je gezondheid ook niet. Zoiets vraagt om verantwoord gedrag. En is het niet voor onszelf, dan toch zeker voor het nageslacht?

Verder kan levend kapitaal meer rendement opleveren dan geld. Denk aan een appelboompje dat je koopt voor een paar tientjes. Die investering heb je al na enkele seizoenen terug en de tientallen oogstjaren die volgen zijn pure winst.

“Sorry Sjonny, maar dat is wel heel erg gekneuter in de marge”. Misschien lijkt dat zo, maar het gaat om de manier van redeneren. Al die kleine dingen, ook die buiten de moestuin, tellen uiteindelijk op tot een groter geheel. Daarnaast brengt dat eigen gekneuter meer op dan je in eerste instantie denkt. De gemiddelde werkende persoon in Nederland brengt 60 tot 90% van zijn loon naar de staat in de vorm van loonbelasting, sociale heffingen, BTW, accijnzen en dergelijke. Nu heb ik niets tegen het betalen van belasting, maar heb wel moeite met de manier waarop de overheid met ons geld omgaat. Ik bedoel, 80 miljoen voor wat oude verf op een doek; goede kunst hoeft zo duur niet te zijn. Of rails leggen, dat mag in Nederland tegenwoordig ook wat kosten…

Afijn, wat ik duidelijk wil maken is dit: als je de armetierige inkomsten uit zelfwerkzaamheid bruteert, verdien je helemaal niet zo’n slecht. Iemand die normaal 90% lasten afdraagt en door zijn eigen aardbeien te plukken 5 euro per uur bespaart, die verdient/bespaart daarmee eigenlijk 50 euro per uur. Zo slecht is dat toch niet? Nu kun je stellen: ik kijk alleen naar m’n netto salaris, bruto interesseert me niet. Dat mag, maar jouw werkgever heeft wel dat brutoloon voor jou over. Dat is wat je waard bent.

En stiekem ben ik nu levend kapitaal alweer aan het vergelijken met financieel kapitaal. Zo vast zit dat economisch denken in ons geslagen….
Feit blijft dat met name het milieu momenteel harde klappen krijgt ten gunste van economisch denken. Alleen is het onzichtbaar en afstandelijk geworden. Amper twee generaties geleden waren we ons daar meer van bewust dan nu. Kennelijk slijt zoiets over de jaren. We leven in een steriele wereld met het credo: ik zie of hoor niets, dus is het er niet. Of: ik mis dat wat verdwenen is niet, want ik ben het vergeten. Of: ik heb het te druk om zulke zaken na te denken.

“Sjonny, je bent veel te kritisch”. Misschien. Maar liever kritisch dan naïef. Van kritisch denken is nog nooit iemand slechter of armer geworden. Van naïviteit wel.

Volgende keer materieel kapitaal, intellectueel kapitaal en ervaringskapitaal.

6. De acht vormen van kapitaal, deel 2

Vorige keer kwamen financieel kapitaal en levend kapitaal aan bod. Voor een deel afkomstig uit het levend kapitaal is nummer drie: het materieel kapitaal. Dat zijn alle grondstoffen en de voorwerpen die we ervan maken. De stoel waar je op zit. Het papier van deze Schakel. Technologie in het algemeen valt er ook onder, net als infrastructuur: wegen, havens, spoorwegen, kabels, internetverbindingen. Veel materieel kapitaal is tegenwoordig weinig duurzaam. Denk aan verspilling van fossiele brandstof. Maar ook een moderne windturbine. Vergelijk de levensduur daarvan eens met die van onze eigen Mariamolen.

Mijn persoonlijke definitie van duurzaam is een wat andere dan die van de moderne, economisch denkende mens. Duurzaam is voor mij wat eeuwig meegaat, wat eeuwig te repareren is of wat zichzelf reproduceert. Wat men tegenwoordig verstaat onder “duurzame consumptiegoederen” schaar ik onder: wegwerpartikelen, want “duurzaam” en “consumptie” vormen een contradictie. Is tegenwoordig niet bijna alles uit de categorie wegwerp? Eigenlijk willen we die prulzooi niet, maar onze hersens komen niet tot andere gedachten, vanwege het continue reclamebombardement. Verbeter de wereld en begin bij jezelf: wij weigeren nog langer rommel te kopen en investeren onze zuurverdiende weinige euro’s in kwaliteit. Wij willen geen naïeve, door infantiele reclame gemotiveerde consument zijn en staan erop als serieuze klant behandeld te worden.

Een persoonlijk voorbeeld: ik heb meer met het klassieke scheermes, dan met de moderne meerbladige wegwerpmesjes. Het oude open scheermes vraagt weliswaar om een eenmalige flinke investering, maar het gaat een leven lang mee en is daardoor uiteindelijk goedkoper. Het scheert zeker zo goed en als je er eenmaal bedreven in bent, dan is scheren weer een ambachtelijke sensatie. Niet voor niets openen in de steden steeds meer barbiershops hun deuren.

Over scheren gesproken; een voorbeeld van degeneratie van materieel kapitaal ten gunste van financieel kapitaal, zoals eerder aangehaald in het vorige artikel. De voorloper van de tegenwoordige meerbladige scheermesjes -het oude krabbertje van opa- schoor gewoon goed. Alleen kon de fabrikant naar zijn zin aan die eenvoudige dunne mesjes niet genoeg verdienen, ook omdat talloze concurrenten op de mesjesmarkt sprongen. Dat u tegenwoordig met een duur mesje scheert, heeft u te danken aan het marketingbedrijf van de fabrikant. Zij kregen de opdracht om de consument duidelijk te maken, dat hij beter af is door meer geld uit te geven aan een kwalitatief amper gelijkwaardig product. Dat is gelukt. Aftakeling van materieel kapitaal, ten gunste van de bankrekening van de fabrikant, voor u verpakt in een sexy jasje. Mag u nog eens over peinzen, als u de volgende keer voor de badkamerspiegel uw gezicht afschraapt…

Intellectueel kapitaal. Ideeën, kennis, waarheid zijn een paar passende trefwoorden. Eigenlijk alles dat ontspruit aan onze hersenen. Internet reken ik er ook toe, als je de juiste informatie van de misinformatie kunt scheiden. Dat is tevens de reden dat ik van boeken houd. Uitzonderingen daargelaten, maar de meeste mensen die de moeite nemen om een informatief boek te schrijven, hebben zich bekwaamd in het onderwerp. Bij informatie van het internet is dat wat lastiger, omdat je een mening in enkele zinnen de wereld in jaagt, waarbij die mening na wat kopiëren en plakken plots als feit verder gaat en dat misschien helemaal niet is.

Net als een lichaam beweging nodig heeft om fit te blijven, zo moeten we ook de hersentjes blijven prikkelen. Ik mag die van mij graag regelmatig afmatten. Maken ze weer een sprongetje. Als een mens niet meer leert, is hij geestelijk stervende.

De pionierende zelfvoorziener is schatrijk in deze en de volgende vorm van kapitaal, omdat hij ze hard nodig heeft als geestelijk gereedschap voor zijn bestaan. Hij zet een stap terug, overdenkt problemen lang en breed, zoekt naar de samenhang, betrekt de historie erbij en streeft naar een langetermijnoplossing. De moderne wereld denkt vooral kortzichtig. Probleem? Gooi er geld en technologie tegenaan en het is opgelost. Terwijl zulke oplossingen vaak weer nieuwe problemen creëren. De zelfvoorziener denkt wat langer na, wikt en weegt, om soms tot de conclusie te komen, dat het simpelweg weglaten van het probleem de beste oplossing is. Wij noemen dat “de Kunst van het Weglaten”.

Ervaringskapitaal volgt direct uit intellectueel kapitaal. Je kunt de mooiste ideeën verzinnen en de meest fantastische plannen maken, maar de praktijk zal uitwijzen of het maakbaar en vooral: of het haalbaar is. Wat de uitkomst ook is, deze slaan we op als ervaring. Wel is het de bedoeling om er iets mee te doen of laten doen. Ik wil daarom het belang van historie benadrukken. Iemand die niet wil leren van de geschiedenis, is gedoemd dezelfde fouten te maken als zijn voorgangers.

Oude mensen zijn waardevol ervaringskapitaal. Als twee generaties niets met hun moeizaam opgebouwde ervaring doen, dan is het voor altijd weg en komen we niet verder.
“Mooi gesproken Sjonny, maar de jeugd mag toch gerust eigenwijs zijn?” Dat is waar en daarom een anekdote over m’n eigen eigenwijsheid en opvolgend voortschrijdend inzicht:

Frans de Haas -de vorige eigenaar van ons huis- maaide 30 jaar geleden zijn gazon met een zeis. Ik -als neoliberale techneut- vond dat destijds wat te ambachtelijk. Dus werd het een elektrische gazonmaaier. Toen een benzinemaaier. Later een maaier op houtgas. Om nu via een duwmaaier terug te komen bij -inderdaad- een zeis. De laatste stap in deze reis van voortschrijdend inzicht zal waarschijnlijk de conclusie zijn, dat we teveel gazon hebben… Dat is het kantelpunt waar je beseft dat het gazon jou bezit in plaats van andersom.
Mijn vraag aan u, lieve lezer, wat bezit u? Met “u” als lijdend voorwerp…

Bent u daar nog? Even doorbijten, nog drie vormen te gaan. Misschien begint het inmiddels te dagen dat leven -en zeker duurzaam leven- niet kan bestaan met alleen maar financieel kapitaal. Tot de volgende keer.

“Twee zaken zijn oneindig: het universum en menselijke stommiteit; en ik ben niet zeker van het universum.” -Albert Einstein-

“Een doel zonder plan is slechts een droom.” -Anoniem-

7. De acht vormen van kapitaal, deel 3

De laatste drie vormen van kapitaal zijn onderlinge verbinders tussen mensen. We beginnen met spiritueel kapitaal. Normen en waarden vinden er hun oorsprong, maar meestal denken we meteen aan godsdienst. Ik
moet toegeven dat ik met religie helemaal niets heb. Ik kan mij voorstellen dat mensen baat bij en steun aan een godsdienst hebben, maar laat mij liever verwonderd aan zijlijn staan. De enige momenten dat ik een god aanroep, zijn de keren dat ik met m’n vingers ergens tussen zit.
Ik zie meer meer uitdaging in zelfontplooiing, ideologie en visieverbreding. Alle ook nauw verwant aan intellectueel kapitaal.

De zevende vorm van kapitaal is sociaal kapitaal. Vriendengroepen, buurtgemeenschappen, verenigingen, nationale trots, de maatschappij. De eerlijkheid gebiedt me te bekennen dat wij Lokkantse zelfvoorzienende kluizenaars hier niet erg rijk in zijn. Ach, je moet altijd iets houden om aan te kunnen bouwen, nietwaar? En misschien is het schrijven van artikelen in de Schakel een goed begin…

De laatste is cultureel kapitaal. Ceremonies, verhalen, mythes, theater, kunst, muziek, taal, dialect. De jus van het leven, gedeeld met anderen. Ik wil een lans breken voor ons streekdialect. Dat is een verdwijnende culturele verbinder. Iedereen weet hoe het voelt als je ver van huis een streekgenoot treft. Al de eerste gesproken zin schept een band. Die verbondenheid voelt als een warme jas.
Oproep aan de jeugd: het Hopse dialect is cool! Jij vindt misschien van niet, maar je zachte G verraadt je overal in het land en daarmee blijf je het provinciaaltje. Terwijl je voor de dialect sprekende Hopse inwoner evengoed uut Kuuk had kunnen komen, om maar een belediging te noemen.

Ik hoop dat duidelijk is geworden dat alle acht vormen van kapitaal belangrijk zijn. Niet alleen voor de enkeling die met duurzaamheid bezig is, maar voor iedereen. Ik hoop ook dat u ziet dat er onder die vormen een zekere vervlakking of zelfs aftakeling gaande is en dat het belangrijk is om die te stoppen.
De aftakeling stoppen en het huidige niveau behouden is echter niet genoeg. Het betekent nog steeds dat 90% van de vis verloren is, dat twee derde van de diersoorten nog steeds bedreigd is met uitsterven en dat landbouwgrond een groot deel van zijn natuurlijke vruchtbaarheid kwijt is. En dat betreft nog maar één vorm van kapitaal: het levend kapitaal. Duurzaamheid is daarom slechts een eerste stap, maar nog niet genoeg. Wat erop moet volgen is een heropbouw.

Maar.

Ons huidig economisch systeem is gebaseerd op groei. Financiële groei wel te verstaan, want omdat al het geld gebaseerd is op schuld, moet het systeem door blijven groeien. Het is groeien of instorten bij dit geldsysteem. Die financiële groei melkt direct het levend kapitaal en de grondstoffen, ofwel materieel kapitaal uit en indirect trekt het de overige vormen van kapitaal mee naar beneden. De door onze politici beminde economische groei om de schulden vóór te kunnen blijven, staat daarmee lijnrecht tegenover de heropbouw van de zeven andere vormen van kapitaal.

Hoe kunnen we hier een oplossing voor vinden? Dat is niet eenvoudig en snel gedaan. Allereerst is er een monetair-economisch systeem nodig dat niet hoeft te groeien. Dergelijke systemen zijn er. Het invoeren vraagt om politieke wil en dat is meteen al een groot struikelblok. Vooralsnog staan de politieke neuzen de verkeerde kant uit. Daarnaast lijken politici nog nooit zo ver van de kiezer te staan als nu. Het maakt niet uit waar je op stemt, ze volgen alle ongeveer dezelfde grote lijn, zonder een goed onderbouwde langetermijnvisie. Stemmen op de huidige partijen voelt voor mij als een vegetariër in een slagerij: keuze genoeg, maar niets van gading.

Ten tweede vraagt het om een andere verhouding tussen klant en producent. Ze moeten dichter bijeen komen, om elkaar te begrijpen en om elkaar wat te gunnen. De producent moet de consument niet zien als een melkkoe en de klant moet bereid zijn goed te betalen voor kwaliteit en duurzaamheid. Van de huidige consumenten verwacht ik geen wonderen. Over het algemeen kopen die wat de marketingjongens en productontwikkelaars vertellen wat goed voor hen is. Reclame maakt meer kapot, dan gezond verstand goed kan maken.
De grote bedrijven zijn financieel gebaat bij handhaving van de huidige situatie. Dus daar is al helemaal geen verandering te verwachten. Zij werken weliswaar binnen de wet, maar vertrappen het grote grijze gebied van het ethisch en sociaal verantwoord omgaan met hun leveranciers en klanten. Het probleem is dat we daaraan wennen en moreel onverantwoord gedrag gewoon gaan vinden. En toch: die grote bedrijven zijn de dinosauriërs van de 21ste eeuw. Het zijn reuzen met lemen voeten. Pis er een keer over en ze storten in.

Ik vermoed dat jonge kleine bedrijven, die zich direct op hun klanten richten, de juiste weg kunnen vinden. De klanten volgen wel als die verrast worden door een goede prijs/kwaliteit verhouding. Met kleine bedrijven bedoel ik bedrijven die een degelijk, duidelijk, eerlijk en goed product of dienst aanbieden. Een
goed product of vakman verkoopt zichzelf.
De twee vollegrondkwekers uit artikel 4 hebben bewezen dat het kan. Kleine, lokaal opererende bedrijven die direct zaken doen met klanten en zich richten op iets waar altijd vraag naar blijft. Daarnaast investeren ze in levend kapitaal door hun bodem beter te maken dan die ooit is geweest. Ze investeren in sociaal kapitaal door een nauwe relatie met de klanten. In intellectueel en ervaringskapitaal door het ontwikkelen van nieuwe methodes die wél duurzaam zijn. Bedrijf doet het goed, klant krijgt kwaliteit en het kapitaal herstelt. Wat willen we nog meer?

“Sjonny, dat klinkt allemaal romantisch en utopisch, maar ik zie het nog niet gebeuren” Tsja. Makkelijk zal het zeker niet worden, maar misschien is juist het krampachtig vast willen houden aan het huidige systeem
een onhoudbare utopie. Wij permies zeggen: “Genoeg. De richting van de hedendaagse wereld is niet meer de onze. Wij draaien af, trekken ons eigen plan en kiezen voor echte duurzaamheid”.

Verbeter de wereld, begin bij jezelf en val maar af en toe op je gezicht. Niemand wordt er slechter van door zijn sluimerende capaciteiten en talenten maximaal te benutten. De zelfvoorzienende permie ziet dit zelfs als een uitdaging en weet zo een tegenslag soms om te draaien naar een sprong vooruit. Elke nieuwe stap maakt de permie iets weerbaarder en onafhankelijker van het huidige systeem en van geld. Natuurlijk kost dat ook tijd, maar lang niet zoveel als werken voor een inkomen, waarvan het meeste verdwijnt in abstracte en oncontroleerbare lasten. Opgaat aan plat consumentisme. Of helemaal zonde: aan rente. Wij permies kennen momenten van grote activiteit, maar verlummelen de meeste tijd. Voor een permie is het altijd zaterdag.
En niemand die op zijn sterfbed zegt: “Ik zou willen dat ik meer gewerkt had”….

Ik hoop dat ik u inmiddels niet ben kwijtgeraakt. Volgende keer een wat makkelijker verteerbaar onderwerp: vervoer.

8. Vervoer

Ik vind individueel vervoer geweldig boeiend, van fiets tot sportwagen, als er maar wielen onder zitten. Toegegeven, tegenwoordig heb ik wat minder met auto’s, al kan ik nog steeds genieten van elegante carrosserielijnen en dikke motoren. Maar dat betreft technische en artistieke hoogstandjes, die weinig met dagelijks vervoer te maken hebben.

Met individueel vervoer bedoel ik een middel om één of enkele personen en hun bagage te vervoeren, direct van huis naar bestemming. Dus geen trein, boot of vliegtuig. Tot voor 120 jaar geleden was de benenwagen voor de gewone man de enige manier om ergens te komen. De rijken en boeren konden per paard van A naar B reizen. Begin twintigste eeuw veranderde dat met de fiets, motorfiets en auto. Tot ver na de tweede wereldoorlog was in Nederland de fiets het meest populaire vervoermiddel.

Tegenwoordig is de auto het aangewezen middel om ergens snel en inefficiënt te komen. “Sjonny, dat is een schrijffout, je bedoelt éfficiënt.” Nee, ik schrijf het goed. De auto heeft een grote evolutie qua comfort en prestaties doorgaan; hij is tegenwoordig luxer dan menig woonkamer en rapper dan een klassieke sportwagen. Maar verder is het nog steeds dezelfde doos als 100 jaar geleden, met 4 wielen, een motor en
een stuur. Met hetzelfde brandstofverbruik. Dus buiten die luxe, snelle en veilige verpakking zijn we bar weinig opgeschoten. Zeg nou zelf: 1.500 kg auto om 80 kg mens te vervoeren, dat kan toch beter?

Een jaar of acht geleden meende ik er goed aan te doen om de aloude techniek van houtvergassing eens op te halen. Net als in de tweede wereldoorlog: rijden op hout. Destijds uit nood geboren door benzineschaarste. Hoewel het relatief eenvoudig is om een houtgasgenerator te bouwen en je aan het rijden op hout een geweldige kick beleeft, kleven er nogal wat bezwaren aan deze methode. Het vergassingsproces is grillig en vraagt om de nodige kennis, ervaring en zwarte kunst van de bestuurder-machinist. Je kunt op lange ritten weinig meenemen, vanwege de volumeuze brandstof, het motorvermogen is een stuk lager en je kunt het niet opschalen naar huidige kilometrages. In 1940 becijferden de geleerden, dat in Nederland genoeg duurzaam hout groeide om 1.500 auto’s langdurig op hout te laten rijden. Kom daar nu eens mee aan bij een wagenpark van 8 miljoen auto’s…. Leuk voor de eenling, maar verder een dood spoor.

“Sjonny, gewoon benzine tanken en verder niet zeveren, dit is de 21ste eeuw.” Inderdaad, we leven in een nieuw millennium en moeten vooruit. Het is tijd om individueel vervoer te gaan heruitvinden. “De elektrische auto, da’s pas innovatie.” Maar is dat wel zo? De elektrische auto is 100 jaar geleden een stille dood gestorven, omdat deze te duur was en de actieradius te beperkt. Weinig vooruitgang dus, want dat
zijn nu nog steeds de bezwaarlijke nadelen van elektrisch rijden. Ik geloof als autotechnisch ingenieur niet in een grote toekomst voor de elektrische auto in de huidige vorm. Simpelweg de verbrandingsmotor en benzinetank eruit lepelen en vervangen door een elektromotor en accu’s, is de verkeerde benadering.

Een studiemaatje en groot liefhebber van ligfietsen voorspelde een paar jaar geleden dat de auto en de fiets op termijn naar elkaar toe zullen groeien. Ik deel zijn mening. Er zijn tegenwoordig ingekapselde, elektrisch ondersteunde, driewielige ligfietsen -velomobielen genaamd- waarmee je met gemak urenlang 50 km/h haalt
en die 80 keer zuiniger zijn dan een gewone elektrische auto (http://www.lowtechmagazine.be/). Meerpersoonsuitvoeringen zijn al in de maak. Dit wordt volgens mij de toekomst, omdat het betaalbaar is en om weinig grondstoffen vraagt. Oké, de factor “statussymbool” is natuurlijk niet langer van toepassing, maar dat zit tussen de oren en heeft weinig met vervoer te maken.

Afgelopen jaar heb ik mij verdiept in vrachtvervoer per fiets. Als zelfvoorzienende permies hebben wij
zelden een auto nodig, omdat we regionaal georiënteerd zijn. Omdat je op een gewone fiets niet veel
mee kunt meenemen, maakte ik al een paar jaar gebruik van een vooroorlogse transportfiets. Zo’n
transportfiets is heel degelijk, maar qua gebruiksgemak mankeert er alles aan: zwaar, lastig sturen en altijd tegen de muur parkeren. Tegenwoordig zijn daar de tweewielige bakfietsen voor in de plaats gekomen. Die doen het een stuk beter, omdat het zwaartepunt laag ligt en de lading in balans houden niet langer gecombineerd is met het sturen. Maar de betaalbare modellen zijn met 60 kilo erg zwaar. Bij m’n eigenbouw fietsen heb ik dat opgelost door de bovenste framebuis door te laten lopen. Dat maakt het frame enorm sterk.
De fietsen zijn met 23 kilo eigen gewicht relatief licht en snel, terwijl je jezelf en 100 kg lading kunt meenemen.

Het belangrijkste aspect van modern individueel vervoer lijken we te zijn vergeten: waarom? Waarom eigenlijk hebben we steeds meer verplaatsingen nodig? Even de auto pakken is al lange tijd een reflex. De autokosten zijn redelijk abstracte getallen en daardoor geen rem. Er zit geen teller op het dashboard, die je confronteert met de kosten van het laatste ritje.
“Sjonny, ik vind de auto comfortabel, snel en ik heb een hekel aan nat regenen”. Hmmm. Een auto zit inderdaad comfortabeler dan een fiets. Een fiets daarentegen houdt je weer fit. Een auto is voor een specifieke rit zeker sneller, maar tel de tijd op die kapot gaat aan het verdienen van de kosten en smeer dat uit over alle gereden kilometers, dan kost autorijden de gemiddelde Nederlander per kilometer meer tijd dan fietsen. Mocht je nat regenen tijdens het fietsen, dan is dat meestal omdat je een verplichting bent aangegaan. Permies kennen weinig verplichtingen en houden het zo meestal droog.

Samengevat: het is niet zo dat ik finaal tegen vervoer per auto ben, maar er zijn bruikbare alternatieven, er zijn ontwikkelingen die meer aandacht verdienen en -zoals op zovele gebieden- is bewust gedrag een schone zaak. In het volgende artikel keren we kort terug naar voedselvoorziening en komen vlees, zuivel en voedselverwerking aan bod.

9. Vlees, zuivel en voedselverwerking

In de eerste artikelen schreef ik over het telen van groenten en fruit. Dit mag de indruk gewekt hebben dat wij vegetariërs zijn. Dat zijn we zeker niet. We eten zeer gevarieerd en daar hoort ook een stukje vlees bij. Hoewel het nooit m’n favoriete werk zal worden, ben ik van mening dat iemand die vlees eet, ook het beest dat daarvoor zijn leven geeft moet kunnen doden en slachten. Uit respect voor het voedsel.

Ons vlees bestaat voor een groot deel uit kip. In eigen beheer gefokt vanaf gelegd ei tot bijltjesdag. Ook rund en varken staan op het menu, geslacht gekocht van de fokkers. Het klinkt misschien vreemd, maar we hebben zelf geen rund, ondanks dat een koe zowel melk levert, als vlees in de vorm van kalveren. We wonen in een straat met meer dan 500 koeien en dan is het ietwat onzin om er zelf één te houden. Nu verbieden de zuivelverwerkers hun leveranciers de particuliere verkoop van melk. Dat riekt naar (illegale?) bescherming van de eigen markt en daar ben ik allergisch voor. Zoiets schreeuwt dus om een creatieve oplossing, waarbij de melkveehouder niet in de problemen mag komen….

De andere reden om geen eigen koeienmelk te produceren is dat we amper genoeg wei voor een koe hebben. Een koe is een kuddedier. Het is wreed om er maar één in eenzaamheid te houden. En wat moet je met zoveel melk? Opvoeren aan varkens zou kunnen, maar zoveel varkensvlees eten we nu ook weer niet. Bovendien begint zo’n traject dan te lijken op: werk schept extra werk.

Daarom met name vleeskippen, die daarnaast af en toe een ei leggen. Ze hebben hier de vrije uitloop. Dat brengt tevreden kippen en scheelt aanzienlijk in het voer, maar een groot aantal kippen kun je niet houden zonder extra bij te voeren. Nu is er genoeg veevoeder- en voedselafval te vinden voor de kippen, maar ik ben met het voer bijeen fietsen en met de opfok nogal wat tijd kwijt. De kuikens kun je niet in de vrije uitloop houden, omdat ze zich graag beschermd zien tegen roofvogels en katten. Ze zijn pas na 20 weken slachtrijp. Verder blijven het kippen: schuw, luidruchtig en dom.

Vandaar dat ik sinds kort experimenteer met Muskuseenden. Ze zijn rustig, eigenwijs, intelligent en niet bang. Het zijn grote loopeenden, die zelden vliegen. De kuikens gaan vanaf dag 1 met moeders mee de vijver in, waar ze redelijk beschermd kunnen opgroeien. De kuikens zijn al met 10 weken slachtrijp. Je hoeft de eenden maar weinig bij te voeren, want ze vreten meest gras, slakken en insecten. Ze ploegen niet het voedselbos om zoals kippen dat kunnen, maar lepelen met hun snavel zachtjes door de bedekking. Vooralsnog alleen maar voordelen ten opzichte van kippen. Zelfs de eieren van Muskuseenden schijnen heel smakelijk te zijn.

Ik zie dus het meest in herbivoren ofwel graseters. Die kosten weinig of geen extern voer en kunnen vooruit op grond die we zelf niet benutten. Daarom experimenteren we ook met schapen. Misschien nemen we ooit nog een geit voor de melk.

Zuivel. Heerlijk. Hier geen chemisch smakende pudding uit een potje. Maarja, ik ben dan ook gezegend met een vrouw die hobby schept in het bereiden van culinaire hoogstandjes uit basisingrediënten…. We halen regelmatig een emmer verse melk waaruit -naast toetjes- het volgende bereid wordt: boter, karnemelk, yoghurt, verse kaas en wei. Deze wei is lekker om te drinken, in tegenstelling tot wei van kaas die met stremsel gemaakt is. We kopen daarnaast ook houdbare melk, om tussendoor niet mis te grijpen.
Melk fungeert hier ook als ongediertebestrijding. “Huh, Sjonny?! Leg eens uit.” Verwilderde katten krijgen hier dagelijks een beetje melk, zodat we ze binden aan onze omgeving. Wij vinden dat wel handig: de beesten zijn van niemand, geen wederzijdse verplichtingen en in het vangen en verjagen van ongedierte is een kat beter dan wij. Stapelen van functies, dat is permacultuur.

Voedsel conserveren. Hoewel een diepvries weinig duurzaam is, hebben we er wel een. Voorlopig is het een te handige luxe om er afscheid van te nemen. Je kunt nu eenmaal niet alles wecken, pekelen, drogen, roken en fermenteren.
Uiteraard wecken we. Wel steeds minder groentes, omdat je groentes het liefst zo lang mogelijk vers eet, tot ver in de winter. Daarom wecken we met name fruit. Appels laten zich ook goed drogen in de oven van een langzaam afkoelend houtfornuis. Er zijn weinig snoepjes zo lekker als zelfgedroogde appels.

Zuurkool maken is simpel en het is zo smakelijk, dat ik het bek-scheef-trekkend-tuig-uit-de-winkel nooit meer hoef. Verder ben ik onlangs begonnen met het pekelen, roken en drogen van vlees. Mooie mannenhobby. M’n eigen gerst verbouwen en mouten voor bier staat nog op de verlanglijst, maar de techniek van het brouwen beheersen we alweer een aantal jaren. Hoewel in eerste instantie bewerkelijk, stelt het proces niet zo heel veel voor, terwijl je je fantasie kwijt kunt in eigen recepten. Zoals met veel zelf bereid voedsel is het al snel van een betere kwaliteit dan uit een fabriek, waar houdbaarheid, gemiddelde smaak en winstmaximalisatie voorop staan. Duurzaamheid gaat bijna altijd hand in hand met kwaliteit.

Wijn en port zijn ook niet zo spannend als je het eenmaal door hebt. Goede wijn behoeft geen druif en daarom ben ik nogal gek op de vlierstruik. Van de bloesem laat zich een heerlijk frisse witte wijn maken en van de bes een port-achtige dessertwijn. Maar ik mag druiven niet tekort doen. Alleen de druif bevat genoeg suiker om voldoende alcohol in een wijn te verkrijgen, maar eigen suiker hebben we nog niet. Wel bietenstroop, een mengsel van melasse en suiker dat je krijgt door dit uit suikerbieten te koken. Een vergeten delicatesse.

En zo zouden we nog een paar artikelen over voedsel kunnen vullen, door er specifieker en breder op in te gaan. Maar laten we de vaart erin houden. Het volgende artikel zal gaan over duurzame huisvesting en huishoudelijke energie.

10. Wonen en verwarmen

“Small is beautiful” (E.F. Schumacher)

Klein is mooi en daarmee is eigenlijk alles al gezegd…. maar daar neemt u als lezer waarschijnlijk geen genoegen mee. En toch zijn compacte woningen altijd de norm geweest. Dat het de laatste honderd jaar anders is, komt door een overvloed van goedkope fossiele energie, met lage stookkosten als gevolg. Zelfs de oorzaak van de individualisering van de maatschappij, met veel kleine huishoudens en daarmee meer huizen als één van de gevolgen, kun je terugvoeren op goedkope energie. De westerse mens heeft met olie meer energie tot zijn beschikking, dan keizers vroeger in de vorm van slaven. Ergens onbegrijpelijk dat we nog zoveel moeten werken….. Maar dat terzijde.

Hoe woonden we in het verleden? Honderden jaren geleden waren bij boerderijen stal en woning één ruimte. De beesten waren de kachels. Stedelijke bewoning kenmerkte zich door het knus aaneen bouwen. Verder waren de woningen vroeger klein en hokkerig. Slechts enkele ruimtes werden (minimaal) verwarmd. In de koude seizoenen droeg men dikke kleding of een kamerjas en zocht ‘s avonds op tijd de bedstee op.

Waar gaan we naartoe? Vanaf 2020 is het in Europees verband verplicht om passief te bouwen. Een passief huis is een zo goed geïsoleerd huis, dat geen of maar heel weinig energie van buitenaf nodig is voor verwarming. Een nobel doel, maar waarom nog 4 jaar wachten? Daarnaast rijst de vraag: hoeveel nieuwbouw heeft Nederland nog nodig? De bevolking groeit nog amper. Het klinkt mooi om nieuwbouw passief uit te voeren, maar wat te doen met de bestaande woningen? Ze staan er nu eenmaal en platgooien is zonde, zeker omdat een groot deel nog niet afbetaald is. Verbouwen zal de enige optie zijn, al is dat niet zo eenvoudig als het lijkt. Ik leg dat verderop uit.

Hoe doen wij permies dat? Wij zouden graag nieuw willen bouwen. Intiem, klein, goedkoop en daamee hypotheekvrij en met lokale en natuurlijke materialen. Maar ook wij zitten vast aan een bestaande woning. Daarom doen we het voorlopig met een mix van oude methodes en nieuwe inzichten. We hebben centrale verwarming, maar die kan gemist worden en staat uit. Er is trouwens niets centraal aan een centrale verwarming. Meestal hangt dat kastje ergens ver weg en zorgen leidingverliezen dat ruimtes onnodig verwarmd worden. Een centrale verwarming zorgt, vergeleken met losse kachels, voor meer comfort, maar ook voor een verhoging van het energieverbruik. Volgens mijn definitie is een centrale verwarming een zwaar multifunctioneel kachelfornuis, waar het huis omheen gebouwd is.

Ons houtgestookt fornuis vormt enigszins het warme hart van het huis. Het apparaat houdt twee ruimtes warm en zorgt ook voor warm water. Dat laatste via het klassieke, zogenaamde thermosifon systeem, dat gebruik maakt van natuurlijke stroming: warm water stijgt op en koud water daalt. Als je het boilervat hoger hebt staan dan de warmtebron, dan stroomt warm water vanzelf naar het opslagvat. In de zomer houdt een zonnecollector de boiler op temperatuur. Nu nog met een pomp, binnenkort ook in thermosifon.

Een zonneboiler zonder pomp is een vorm van “passieve zonne-energie”. Bij passieve zonne-energie vang je zonnewarmte op, zonder gebruik te maken van actieve apparaten. Ook zonnestraling die via een raam binnen komt en zich opslaat in een zware muur of vloer, is passieve zonne-energie. De zogenaamde “earth-ships” -woningen met zware muren van met zand gevulde autobanden- werken volgens dit principe. De noordkant ligt meestal begraven in een heuvel, terwijl de zuidkant bestaat uit een schuine glaswand om de zon binnen te laten. Een uitgekiende overstek verhindert overmatige straling in de zomer als de zon hoog staat. Dit principe werkt geweldig op plaatsen met veel zon in de winter. Dat het ‘s nachts flink vriest maakt niet uit, omdat de grote binnenmassa de dagwarmte opslaat. Helaas komen we in ons noordelijke zeeklimaat zonuren tekort en staat de zon te laag om het principe hier goed uit de verf te laten komen. Het is hooguit een aanvulling op bestaande woningen die op het zuiden gericht zijn: zet er een glazen pui voor.

In de paar overige te verwarmen ruimtes van onze woning staan houtkachels. Ze zijn zelfgebouwd volgens het gesloten “rocket stove” principe. Rocket stoves stoken zeer schoon en rendementen van meer dan 90% zijn geen probleem, maar zulke kachels zien er wat kolossaler uit dan het gebruikelijke stalen doosje. Ze zijn echter makkelijk zelf te bouwen en de benodigde materialen zijn goedkoop en eenvoudig te vinden. De hoge kachel op de foto kostte 50 euro aan materialen en vroeg om een week fröbelen.

Isolatie van een bestaande woning is lastiger dan het lijkt. Spouwmuurisolatie kan vaak prima, maar het is een dunne isolatie en mochten de binnenmuren last hebben van optrekkend vocht, dan verhindert de isolatie het opdrogen ervan. Daarom vooraf goed onderzoeken. Van binnenuit isoleren is een mogelijkheid, maar gevaarlijk als je een dampopen isolatie kiest. Woningvocht condenseert dan achter de isolatie tegen de koude binnenmuur, veroorzaakt daar schimmel en maakt de isolatie vochtig, zodat de werking verloren gaat. Dampdicht isoleren kan, maar dan heb je een betere ventilatie nodig. Ventileren betekent normaal het weggooien van warmte. De zogenaamde balansventilatie verhindert dat. Uitgaande vuile lucht geeft dan zijn warmte af aan de binnenkomende verse lucht. Deze systemen komen oorspronkelijk uit de Alpenlanden, waar een droog landklimaat heerst. In ons vochtige Nederland kan balansventilatie leiden tot schimmelvorming in de wisselaar en in de kanalen, als de gebruiker het onderhoud ook maar enigszins verwaarloost.

Allemaal niet zo eenvoudig dus. Wij kiezen niet voor balansventilatie, omdat er een stekker aan hangt en vanwege mogelijke gezondheidsgevaren. De kachels zijn onze ventilatie. De muren volstoppen is ook link bij een oud huis. Wel hebben we voorzetramen, rolluiken en een redelijk goede dak- en plafondisolatie. Ons warmteverbruik, inclusief koken en warm water wordt gedekt door ongeveer 10 kuub hout per jaar. Zwaar investeren in isolatie kan hier nooit uit, omdat dat maar een paar kuub zal schelen. Koken moeten we sowieso, dus die warmte dient al een dubbel doel en oververhitting wil je ook niet. Daarnaast betekent een paar kuub hout slechts een dag werk.

Als de huidige houtvoorraad opraakt, hopen we genoeg hout te kunnen oogsten van eigen terrein. Ook verwacht ik tegen die tijd een manier gevonden te hebben om de woning beter te isoleren op een gezonde en betaalbare manier. Ik ben er nu gewoonweg nog niet helemaal uit.
Samengevat zetten we dus in op bescheidener wonen en een brandstof van eigen terrein. Stookkosten hebben we niet. Nou vooruit, elk jaar 10 liter benzine voor de kettingzaag.

Ik besef mij dat dit geen oplossingen voor iedereen zijn. We hebben in Nederland domweg niet genoeg hout. Daarom zou een combinatie van isolerende verbouw richting passief, meer gebruik van passieve zonne-energie en kleiner wonen een mogelijke duurzame oplossing kunnen zijn. Ook in een grote woning kun je klein wonen….

Volgende keer behandelen we elektriciteit.

11. Elektriciteit

“Sjonny, soms proef ik dat je een hekel aan elektriciteit hebt. Hoe zit dat?”
Zucht…. soms zou ik willen er minder vanaf te weten of dat opgedane ervaring die kennis positief bijstelt. Ik heb geen hekel aan stroom, integendeel, ik beschouw het als een luxeproduct. Maar wel een luxe waarvan ik niet afhankelijk wil zijn. Dat is heel wat anders dan een eerste levensbehoefte, zonder welke we niet meer kunnen. De zelfvoorzienende permaculturist legt zich niet vast aan zaken die niet zo robuust lijken als algemeen aangenomen en al helemaal niet als het systeem niet duurzaam is.

Ik zal uitleggen hoe ik tot dat inzicht gekomen ben. Een soortgelijk kringlopend verhaal als in een eerder artikel: het maaien van het gazon met de zeis. Ik ben altijd maf geweest van verbrandingsmotoren. En wat kan de zelfvoorziener daar onder meer mee? Inderdaad: stroom draaien. Best wel kicken: je gooit er benzine of diesel in en er komt prik uit. Volgende stap: WKK, ofwel Warmte-Kracht-Koppeling. Klinkt ingewikkeld, maar het komt erop neer dat je de warmte van de motor van het stroomaggregaat ook gebruikt, bijvoorbeeld om een woning te verwarmen. Effectief, zeker als je vraag en aanbod kunt stroomlijnen. Je behoort zoiets te berekenen op de warmtevraag en de stroomhoeveelheid is dan wat het is: meestal teveel of te weinig. Leveren aan het elektriciteitsnet kan dan een oplossing zijn. Menig glastuinder werkt zo. Ook op huishoudmaat zijn die dingen al jaren beschikbaar, maar nog steeds duur, luidruchtig en niet erg betrouwbaar. Ik heb een kleine WKK-unit op houtgas overwogen, maar meteen verworpen vanwege de complexiteit van de installatie. Een kleine motor op houtgas heeft daarnaast zijn machinist graag dicht in de buurt. Bovendien heb je naast de redelijk ingewikkelde vergasser/stroomaggregaatcombinatie ook machines nodig om het hout op de juiste maat te verkleinen, sorteren en drogen. Het gaat immers om minimaal 10 kuub hout per jaar. Ik ben liever geen slaaf van m’n eigen consumptie, vandaar dat het plan nooit verder is gekomen dan de idee-fase.

Volgende stap: zonnestroom. Werkt economisch gezien fantastisch door de salderingsregeling. Die regeling houdt in dat je de thuis verbruikte stroom mag wegstrepen tegen de geproduceerde stroom. De regeling kan (de regering neemt volgend jaar een besluit) na 2020 gaan veranderen, omdat deze niet eerlijk is. Je betaalt als verbruiker voor een kWh stroom ongeveer 23 cent. Daarvan is een cent of 7 de eigenlijke stroom. De rest bestaat uit transportkosten (denk aan hoogspanningsmasten en verdeelstations), energiebelasting en BTW. Nu nog mag je salderen tegen die 23 cent. Gunstig voor eigenaren van zonnepanelen, maar het betekent dat degenen zonder panelen aan het verschil tussen die 23 cent en 7 cent meebetalen. En ondanks dat ik er ook van profiteer, ben ik zo eerlijk om toe te geven dat ik niet boos zal zijn (wel verdrietig) als het huidige systeem een keer afloopt.

“Sjonny, je kunt niet ontkennen dat grootschalige zon- en windstroom wel degelijk een duurzame oplossing is.” Dat kan ik wel degelijk ontkennen om twee hoofdredenen. Het is iedereen duidelijk dat zon en wind een grillig karakter kennen. We hebben te weinig stuwmeren in Europa om de pieken in die productie op te vangen. Je kunt niet teveel zonne- en windstroom op het elektriciteitsnet zetten. Bij meer dan 20% ontstaat zogenaamde net-instabiliteit. Vaste centrales kunnen dan hun vermogen niet snel genoeg aanpassen op de schommelingen van zon en wind en vallen uit. Een zogenaamd “smart-grid” kan een deel opvangen, maar is geen allesomvattende oplossing. De tweede reden dat zonne- en windstroom niet duurzaam zijn, zal ik in een later artikel uitleggen. Voor nieuwsgierigen die niet willen wachten: google eens op “EROEI”.

“Sjonny, Denemarken en Duitsland zitten soms al aan 100% zon- en windstroom, dus het kan wel”. Die 100% klopt voor het land, maar het stroomnet is Europees, dus horen we de percentages van die twee landen uit te smeren over heel Europa. Er zijn wel degelijk grenzen aan alternatieve stroom. Althans voor zon en wind. Waterkracht en geothermie doen het wel prima, maar beide zijn voor Nederland geen optie.

We hebben hier aan de Lokkant ook ervaring met eigen accu-opslag van stroom. Net zoiets als de Powerwall van Tesla. Ons systeem werkt al jaren prima en is aanmerkelijk goedkoper dan de grootverpakking laptopbatterijen van Tesla, maar terugverdienen: vergeet het maar. Daarnaast leg je je lot in handen van de acculeverancier, van degene die de zonnepanelen maakt, van een heleboel elektronica en van exotische windturbinematerialen en dat is nou juist wat de duurzame permie niet wil. En na een paar dagen zonder zon of wind is het kiezen: in het donker gaat zitten of toch maar weer van het elektriciteitsnet trekken…

Begint het te dagen, lieve lezer? Al dat eigen geëxperimenteer, het uitzoeken van data en rekenen met gezond verstand leiden tot voortschrijdend inzicht. En dat inzicht komt tot de conclusie dat stroom als hoge vorm van energie een echt luxeproduct is, waar we beter zuinig mee omgaan. Elektriciteit kan alleen bestaan bij de gratie van fossiele brandstoffen, zo leert ons de geschiedenis die zich ondersteund ziet door EROEI-getallen. Ik kom erop terug.

Small is beautiful, klein is mooi. Ons stroomverbruik hebben wij de laatste jaren kunnen halveren door er bewuster mee om te gaan en door een aantal verkwisters op te ruimen. Niet vervangen door zuinige apparaten, maar door stekkerloze apparaten of door simpelweg weglaten. Het stroomverbruik zal de komende jaren nog een keer doormidden gaan. Economisch gezien is dat voor ons eigenlijk onzin, want we produceren veel meer stroom met de panelen dan we verbruiken en geven dat overschot af voor een paar centen. Prima, laat een ander het maar gebruiken, het gaat ons om het principe. Je kunt in de zomer een bulk zonnestroom terug pompen, maar verbruikte winterse stroom komt toch echt uit kolen en gas. De elektriciteitsrekening mag dan misschien nul bedragen, duurzaam is het nog steeds niet.

Daarnaast vinden wij dat een huis ook moet kunnen functioneren zonder elektriciteit. Vandaar dat we het principe huldigen: voor elke nieuw gekochte stekker gaan er twee uit. Hoewel het voor u misschien moeilijk voor te stellen is om nog comfortabel te leven zonder al die apparaten, ervaren wij het vaak als een bevrijding. Het modernste apparaat is niet altijd beter dan de eerste generatie; denk aan het verhaal van het scheermes. Het is net als waspoeder: 40 jaar geleden waste het al “witter dan wit” en zou nu nog beter zijn. Kochten we toen rotzooi of is alleen de reclame verbeterd en daardoor ons denken veranderd…..

In de volgende schakel wil ik uitweiden over water, riool en afval.

12. Water, riool, afval en een bekentenis

Drinkwater. Het probleem -of juist het geluk- met Nederlands leidingwater zijn de lage kosten en de uitstekende kwaliteit. We hebben in Nederland zo ongeveer het beste leidingwater ter wereld en de variabele kosten -de prijs per kuub- zijn laag. De vaste kosten in de vorm van allerlei vage zuiveringsheffingen, zijn daarentegen weer hoog. Prima voor de grootverbruiker, maar het zet niet bepaald aan tot bewust gebruik. De zuinige kleinverbruiker wordt zelfs gestraft voor zijn nobele streven, door hem een relatief groot deel aan vaste kosten op te leggen.

Zwaar investeren in eigen water kan daarom nooit uit. Grondwater is bovendien niet geschikt voor consumptie door de vervuiling met ijzer, mangaan en uit kunstmest afkomstige nitraten en fosfaten. Je moet al heel diep boren voor goed drinkwater. Regenwater biedt meer mogelijkheden. Het is relatief schoon en laat zich via het dak eenvoudig verzamelen. De meest gebruikte buitenkraan zit hier vast aan een 200 liter regenton. Verder hebben we het geluk dat tussen het toilet en de dakgoot ruimte is voor 600 liter wateropslag. Het regenwater loopt uit de goot in de opslag. De opslag voedt gewoon met behulp van de zwaartekracht de spoelbak van de WC. Zonder stekker. Scheelt 15-20 kuub water per jaar, terwijl de installatiekosten slechts tientjes bedragen. Ik wil nog meer met regenwater gaan doen, maar ben de toepassingen en de uitvoering nog aan het overdenken.

Riool. Wij wonen in het buitengebied en ons is 15 jaar geleden drukriolering in de maag gesplitst. Ik kan er nu nog pislink over worden, want we kregen eerst wel en later toch maar niet de vrijheid om zelf voor een oplossing te zorgen. Ik had voor ons lage waterverbruik en bijbehorende geringe hoeveelheid afvalwater een klein zuiverend rietveldje ofwel helofytenfilter aan willen leggen, maar die mogelijkheid werd ons ontzegd, omdat onze geldelijke bijdrage zeer gewenst was.

Afval. De zelfvoorzienende permie kent weinig afval. Het groenafval is een belangrijke organische meststof en moet daarom op het eigen terrein blijven circuleren. Glasafval hebben we bijna niet. Flessen en potjes kringlopen hier vrolijk door. Wist u trouwens dat het duurste deel van een potje groenten uit de winkel, het potje zelf is?
We hebben relatief veel plastic afval, omdat wij ons deels over het afval van een ander ontfermen. Ons kippenvoer wordt opgevangen in grote zakken met weinig inhoud.
Het restafval bedraagt twee zakken per jaar.

Verder vind ik het prachtig om afval te “up-cyclen”. Daarmee bedoel ik het ombouwen van afgedankte spullen tot nieuwe gebruiksvoorwerpen. Zoiets voelt goed: je redt basismaterialen, het prikkelt de inventiviteit, het kost bijna niets en vaak is het resultaat beter dan je in de winkel kunt kopen. Denk aan een stalen mountainbike; sterk, maar toch maar afgedankt voor een lichter aluminium exemplaar. Even verlengen met wat dunwandige buis en het fietsje kan aan een tweede, veel dankbaarder leven beginnen als vrachtfiets. Op maat gebouwd voor een paar tientjes en enkele dagen knutselen. Reken je door naar de prijs van een nieuwe vrachtfiets, dan zijn het ook nog eens zeer goed betaalde uren….

The Good Life

De oudere generaties onder u kennen vast nog de humoristische Engelse serie The Good Life uit midden jaren ’70. Richard Briers en Felicity Kendal als Tom en Barbara Good, die hun hectische carrière moe zijn en een zelfvoorzienend bestaan starten. Dubbelzinnige humor vol zelfspot, zoals alleen de Britten dat kunnen. Ook wij genieten van het goede leven. Zonder ratrace, zonder een “moeten”, zonder een “later” genieten we van het nu. We staan ‘s morgens op als we wakker worden en beginnen de dag zonder veel planning. Het loopt zoals het loopt. We leven met de zon en het weer en verwelkomen elk seizoen. Ondanks dat ons de middelbare leeftijd aangerekend mag worden, leren we net zoveel nieuwe dingen als toen we 25 waren. Het mooie van pionieren is dat je fouten mag maken. Ze zijn nooit groot en je moet ze zelfs maken om vooruit te komen.

Ik zou hiermee de reeks kunnen afsluiten. Ik heb getracht de inhoud van dit feuilleton zo objectief, realistisch en toch luchtig als mogelijk te brengen. De commentaren die we mochten ontvangen waren veelal positief: iedereen houdt van de methodes van de idealisten. Wij permies proberen de wereld een beetje beter achter te laten, dan toen we hem kregen. Maar ons gouden en romantische idealisme heeft een zwart rouwrandje. De idealisten zijn namelijk ook overlevers en niemand houdt van de motieven van overlevers. U proefde het ongetwijfeld regelmatig tijdens het lezen van mijn schrijfsels: er is het nodige mis in de wereld.

“Sjonny, dat weten we toch allemaal. Pluk de dag man, het gaat voorlopig nog goed en techniek gaat alle problemen oplossen”. Juist over dat laatste ben ik als nadenkende en redenerende techneut niet optimistisch. Dat ongefundeerde, bijna religieuze geloof in “techniek gaat ons redden”. Natuurlijk leven we in een maakbare wereld: er is maar weinig dat technisch onmogelijk is. Maakbaarheid is echter slechts de optimistische helft. Het is meestal alleen dat deel waarover je leest of hoort. De soms pessimistische, maar altijd realistische haalbaarheid vormt de andere helft van de waarheid. Daarnaast is er de laatste 60 jaar alleen maar sprake van meer van hetzelfde, alle grote haalbare uitvindingen stammen van vóór die tijd.
“Sjonny, we gaan toch niet doemdenken, hè.” Euhh…. ik heb zojuist getracht in 12 artikelen de geneugten van duurzaam leven uit te leggen, dus doemdenken is de interpretatie van de lezer, niet de mijne.

De lezers die mijn artikelen hebben gevolgd, zullen inmiddels begrijpen dat ik weinig promoot vanuit emotioneel geladen aannames. Ik “geloof” niet. Ik zie mijn intuïtie gesteund door feiten, ervaringen, historie en getallen afkomstig uit meerdere bronnen, om zo een zo objectief mogelijk beeld te krijgen. Dat betekent niet dat ik daarmee de wijsheid in pacht heb, maar het ontdekken van onderlinge verbanden en afhankelijkheden is heel leerzaam.
De crisis van 2008 was de reden om mij meer te verdiepen in een vak waar ik vroeger niets van begreep: economie. Nu snap ik het beter, al is het op een heel andere manier dan ons destijds op school wijs gemaakt werd. Economie heeft namelijk weinig met geld te maken, maar alles met energie. En juist met die energie is het nodige mis.

U niet informeren over het donkere deel van onze motivatie zou betekenen dat ik u alleen de optimistische, maar halve waarheid vertel. Is de halve waarheid brengen niet gelijk aan een beetje liegen? Ik zal bij sommigen wat krediet verliezen; het zij zo. Volgende keer: economie, hoe zit dat eigenlijk?

“De kracht van objectieve observatie wordt over het algemeen cynisme genoemd door degenen die het niet begrijpen.” -George Bernard Shaw-

13. Ons monetair systeem en economie

Wat ik in dit en de volgende artikelen wil uitleggen, is de relatie tussen ons geldsysteem, economie en energie. Ik weet het, voor de meeste mensen is dat taaie en oninteressante stof, maar ik zou willen dat ons onderwijs er vroeger een paar lesuren aan gewijd had. Het had veel ellende voorkomen. Voor wie zich afvraagt wat dit in vredesnaam nog met duurzaam leven te maken heeft: dit systeem is -zoals u zult gaan merken- allesbehalve duurzaam. Dan kan enig inzicht geen kwaad als je zelf wel het duurzame pad tracht te bewandelen.

Economie is de kunst van het samenbrengen van arbeid, diensten, grondstoffen en producten met de vraag daarnaar. Vraag en aanbod bij elkaar brengen. Geld hoort daarbij slechts een bescheiden rol te spelen, namelijk als universeel waardemiddel dat zorgt voor de verbinding. Met dit smeermiddel van de economie is momenteel van alles mis.

We nemen schuld op door geld uit de toekomst te trekken, omdat we er vanuit gaan dat morgen groter is dan vandaag. We weten niet beter dan dat de toekomst altijd groter zal zijn en gelukkig maar, want van die toekomstige vergroting kunnen we de rente betalen. Kopen op de pof betekent echter dat je voor instant geluk later een paar keer extra gaat betalen in de vorm van rente. In eerste instantie groeit een economie heel goed op naar voren gehaalde bestedingen, maar uiteindelijk kent het een weerslag. Je kunt je geld namelijk maar één keer uitgeven, of het nu direct, of via sparen, of via een schuld is. Wij boerkes snappen dat, economen niet. Een uitspraak van Henry Ford, 100 jaar geleden:

“Het is maar goed dat het volk het bankensysteem niet begrijpt, want anders zou er morgen revolutie uitbreken.”

Fractioneel bankieren betekent dat een bank geld uit het niets mag creëren. Niet onbeperkt, ze moeten daarvoor wel wat eigen vermogen in kas hebben. Momenteel is dat 3%. Ik leg het nu misschien wat erg versimpeld uit in de ogen van een monetair expert, maar het resultaat komt op hetzelfde neer:
Stel Jantje brengt 3.000 euro naar de bank en zet dat op een spaarrekening. Hij krijgt daarvoor 0,5% rente per jaar. Die 3.000 euro behoort nu tot het eigen vermogen van de bank. Om Pietje een hypotheek te verschaffen, mag de bank van die 3.000 euro (= 3% eigen vermogen bank) 100.000 euro (= 100% vermogen bank) maken. Over de hypotheek vraagt de bank ongeveer 2,5% rente ofwel 2.500 euro per jaar. Als Pietje zijn hypotheek aflost, dan streept de bank het aangemaakte geld weer weg, zodat uiteindelijk de originele, echte 3.000 euro weer over is. Ze maken intussen over hun eigen vermogen een rendement van 2.500
min 15 euro (de 0,5% spaarrente voor Jantje) gedeeld door 3.000 euro ofwel 83%! En dan is het makkelijk om daarvan glazen paleizen te bouwen, vette bonussen uit te keren en tegelijkertijd krokodillentranen te huilen dat de marge tussen hypotheekrente en spaarrente zo gering is….
[NB. Dorpsgenoot en gepensioneerd bankmedewerker Frans K. merkte achteraf terecht op dat ik hier wat te kort door de bocht ga, door de kosten niet in mindering te brengen. De marge ligt ligt daardoor een stuk lager. Maar dat wekt bij mij nog steeds geen medelijden op…..]

Banken verdienen dus ordinair veel geld. Toch zweten ze momenteel peentjes. Want stel dat Pietje zijn hypotheek niet kan aflossen, de bank Pietjes huis executeert en de bank er 10.000 euro bij inschiet. Die 10.000 moeten zij afschrijven van het eigen vermogen: de oorspronkelijke 3.000 euro. Dan ben je zo een keer failliet. Niet voor niets dat tegenwoordig zoveel experts roepen dat het eigen vermogen van banken drastisch omhoog moet.

Samengevat: in goede tijden verdient een bank klauwen met geld, maar in slechte tijden kieperen ze zomaar om. Tenzij de belastingbetaler bijlapt (bail-out) of de aandeelhouder en spaarder erbij inschieten (bail-in). Kortom de burger is altijd de pineut, want verliezen zijn voor hem en de winst is voor de bank.

Neem ons voorbeeld nog een keer en stel dat Jantje’s oorspronkelijke 3.000 euro al het beschikbare geld in de wereld zou zijn. De bank heeft daarvan een ton gemaakt en Pietje moet daarover rente gaan betalen. Waar moet die rente vandaan komen als er niet meer geld is? Inderdaad, ook de rente is uiteindelijk aangemaakt in de vorm van een schuld. Conclusie: zowat al het geld in de wereld is gebaseerd op schuld. Dit piramidespel kan lang doorgaan. Zolang de economie blijft groeien is er niets aan de hand: de schulden kunnen meegroeien, want morgen is altijd groter dan vandaag.

Hoewel de media er zelden over reppen, zijn de wereldwijde schulden sinds de crisis van 2008 niet afgenomen, maar juist fors toegenomen. Logisch dus, dat overheden nu zwaar inzetten op hernieuwde economische groei, want stopt die groei, dan sterft het systeem.

Hoe is onze huidige economie ontstaan? Laten we eens terug gaan naar de jager-verzamelaar uit artikel 4. Die was de hele dag bezig met het zorgen voor zijn eerste levensbehoeftes. Er bleef geen tijd over voor andere nuttige of plezierige dingen. Pas nadat de jager boer werd, kwam er een positieve spiraal op gang: hij kreeg tijd om bijvoorbeeld paden en bruggen aan te leggen of gereedschap te bedenken en maken. Later namen ossen en paarden hem nog meer werk uit handen. En zo ontstond langzaam handel en economie. Na het fatsoenlijk kunnen delven van steenkool ging het heel hard: gevoed door kolen en later olie zorgde de industriële revolutie voor nog meer economie tot uiteindelijk waar we nu staan. De conclusie die we hieruit mogen trekken: onze huidige maatschappij dankt zijn bestaan aan overvloedige en goedkope energie.
Vanuit de andere richting geredeneerd: stel je de wereld eens voor zonder fossiele brandstoffen en afgeleide producten als kunststof, kunstmest, apparaten, infrastructuur, medicijnen…. bijna alles. Wat blijft er dan nog over? Alleen wat antiek.

Samengevat: ons monetair systeem is gebaseerd op schuld. Omdat in principe al het geld schuld is, nemen we voor de rente ook schuld op. Een piramidespel dat alleen kan blijven groeien, als de economie meegroeit. Het voedsel van de economie is energie. Om onze complexe economie te laten groeien is steeds meer energie nodig.

Genoeg hoofdpijndossier voor dit moment. In het volgende artikel gaan we energie eens nader beschouwen via het belangrijkste getal van de 21ste eeuw: het EROEI getal.

“Ik heb nooit iemand de hel gegeven. Ik vertelde alleen de waarheid en men dacht dat het de hel was” -Harry S.Truman-

14. Economie en EROEI

“Sjonny, ik heb jouw vorige artikel eens laten inzinken. Het zal allemaal wel waar zijn, maar ik kan er niets
mee. Eerlijk gezegd wil er niet eens wat mee.”
Dat is een begrijpelijke uitspraak, omdat je geprogrammeerd bent om te denken binnen de vage kaders van het weinig duurzame piramidespel dat economie heet. Onze leiders willen niet eens dat je “buiten de doos” gaat denken; stel je voor. Toch is het niet verkeerd om te weten dat er een “doos” bestaat en hoe die eruit ziet.

Het EROEI-getal. De basis van onze hedendaagse economie. Wie EROEI begrijpt, snapt ook de economie en zijn problemen. We beginnen met een glimlach:

Vertaling bij de plaatjes:
De maisboer… Amerika’s grote hoop om ons te genezen van onze verslaving aan olie.
Dus…. Waarom glimlacht deze man?
Omdat het 1,29 gallon fossiele brandstof kost om 1 gallon bio-ethanol te produceren.

EROEI is de afkorting voor Energy Return On Energy Invested. Ofwel: hoeveel energie kost het om energie te winnen. In boerentermen: als ik 1 aardappelpoter plant en kan er daarna 10 oogsten, dan heb ik een Pieper Return On Pieper Invested van 10 op 1, of 10 : 1, of gewoon 10. In olietermen: in 1930 kostte het 1 liter olie om 100 liter te winnen: EROEI = 100, ofwel er bleef 99% over. Zeker niet slecht, maar dat was toen. Tegenwoordig is er veel meer energie nodig om energie te produceren: de EROEI daalt.

Als de EROEI daalt, omdat relatief steeds meer energie nodig is om energie te winnen, blijft er steeds minder over voor de leuke dingen. Het gaat zelfs steeds harder bergafwaarts. De wiskunde noemt zoiets exponentiële daling en dat is lastig voor het menselijk brein, omdat het gewend is om in rechte lijnen te denken. Daarom een grafiek om het wat duidelijker te maken:

Op de verticale as staat het percentage energieopbrengst voor leuke en nuttige besteding. Op de horizontale as staat het EROEI getal. Bij een grafiek hoort een lijn, daar waar de relatie tussen de twee eenheden ligt. In de bovenstaande grafiek is dat de aflopende scheidslijn tussen de twee gekleurde vlakken. U ziet dat bij een dalende EROEI de overblijvende, te besteden energie dramatisch snel afneemt. Bij een EROEI van 15 is er nog weinig aan de hand, terwijl je bij een EROEI van 6 het ravijn in valt. De Amerikanen hebben er een term voor bedacht: de “Energy Cliff”. Juist omdat de grafiek steeds steiler afloopt, komt het probleemmoment sneller op ons af dan onze lineair denkende hersenen verwachten.

Nu wat dalende EROEI voor ons betekent. Kort en simpel: een groot deel van de huidige crisis is daaraan te wijten.
“Sjonny, wat voor gras heb je nou weer gerookt, de crisis is veroorzaakt door een teveel aan schulden.” Ja, dat ook, oorzaak en gevolg lopen door elkaar heen en dat maakt deze materie zo ondoorzichtig. Daardoor heeft elke econoom die er een mening over heeft voor een deel gelijk, zonder het hele plaatje te doorzien.

De crisis komt eerst en vooral door sluipmoordenaar EROEI. De makkelijk te winnen en daardoor goedkope olie (hoge EROEI) vermindert sinds 2006. Dit fenomeen heeft een naam: Peak Cheap Oil, ofwel de productiepiek van goedkope olie in 2006. De wereld dendert echter door en met name door opkomende economieën zoals China neemt de vraag naar olie nog elk jaar toe. De gedroomde alternatieve energieën ten spijt, want die kunnen de groei in energiehonger niet eens bijhouden (!). We zoeken daarom steeds ingewikkeldere oogstmethodes om fossiele energie te oogsten, zoals diepzeeolie, Canadees teerzand en Amerikaanse schalie-olie. Die is duur vanwege de lage EROEI, maar fysiek (kom ik in het volgende artikel op terug) interessanter dan alternatieven als zonne- en windenergie. Deze relatief dure olie bepaalt bij krap olieaanbod de prijs. Ook de prijs van goedkoop te winnen olie, want er is maar één actuele olieprijs. We zien dan prijzen vanaf $100 per vat. Nu wordt algemeen gesteld, dat de wereldeconomie krimpt bij een olieprijs van meer dan $100, waardoor een hoge olieprijs na verloop van tijd weer omlaag gaat. Gedwongen door economische uitval, omdat de consument het niet meer kan of wil betalen. Het gevolg is een overaanbod van olie.

Al bij een gering overaanbod bepaalt conventionele, makkelijk te winnen olie de prijs: rond $40 per vat. Voor de economie is dat prima, maar het betekent dat bij een langdurige lage prijs de oliemaatschappijen niet langer investeren in het zoeken of zelfs oppompen van “moeilijke” olie, waardoor op termijn tekorten in productie ontstaan, als de economie weer aantrekt. En zo stuitert de olieprijs op en neer tussen het economisch plafond en de vloer van productiekosten, terwijl de afstand tussen die twee steeds kleiner wordt. Slechts weinig economen en politici zijn hier van op de hoogte. Of weten het wel, maar sluiten hun ogen en gaan alleen voor de korte termijn.

Hoe werkt de invloed van EROEI door in de economie? In onderstaande grafiek is het totaal volume van gewonnen energie opgesplitst in drie delen. De middelste, lichtblauwe pijl is de vrij constante hoeveelheid energie die nodig is voor de essentiële zaken: voedsel, welzijn, overheid (nou ja…). De onderste, rode pijl is de energie die nodig is om energie te winnen. EROEI is maat voor het volume van die pijl. Wat over blijft is de bovenste, donkerblauwe pijl: energie voor de luxe zaken die het moderne leven interessant maken.

De diktes van de pijlen zijn wat in het extreme getrokken, maar het zal duidelijk zijn dat door een lage EROEI veel energie nodig is voor de winning van energie, waardoor er minder overblijft voor de economie. Deze zal steeds minder groeien en na het kantelpunt zelfs krimpen. Ik zou de bovenste pijl bovendien willen opsplitsen: een deel consumptie en een deel aflossen van schulden en betalen van rente. Aangezien de wereld verzuipt in de schuld, weten we wat er overblijft voor consumptie: steeds minder.

In het volgende en laatste artikel ga ik dieper in op de fysieke eigenschappen van fossiele brandstoffen en kom met een voorzichtige voorstelling van een nieuwe economie.

“Normaal is een illusie, m’n beste. Wat normaal is voor de spin, is een calamiteit voor de vlieg.” -Morticia Addams-

15. Wat nu?

In de vorige artikelen hebben we gezien dat de economie moet groeien om de schulden voor te blijven en dat voor die groei steeds meer, niet te dure energie nodig is.

“Oké Sjonny, ik ben eruit. Heel makkelijk: om de economie weer te laten groeien, moeten we op zoek naar vormen van energie met een hoge EROEI. Voor zover die er nog niet zijn: mijn hoop is gevestigd op de wetenschap.”
Hoop is een slechte strategie; ik vertrouw liever op de feiten. Maar inderdaad zou hoge EROEI-energie ons deels en een tijdlang kunnen helpen. Laten we de voor Nederland beschikbare alternatieve energieën eens nader bekijken. De eerste die in beeld komt is zonnestroom. Ook op zonnestroom kun je een EROEI getal plakken, want zonnepanelen kun je niet met alleen zonnestroom maken. Je stopt er naast een hoeveelheid grondstoffen ook steenkool, gas en olie in en er rollen zonnepanelen uit, die tig keer meer energie gaan leveren dan erin ging. In de EROEI-grafiek uit het vorige artikel zien we dat “tig” voor zonnestroom ongeveer 12 is. Best aardig, omdat over het algemeen gesteld wordt, dat de wereldeconomie energie met een EROEI van 5 tot 10 nodig heeft om te kunnen bestaan. Hoe complexer de maatschappij, des te hoger de benodigde EROEI van de energiebron. Comfort en beschaving komen nu eenmaal met een prijs. Nu blijkt dat de EROEI van 12 voor zonnestroom niet spijkerhard is. Afhankelijk van wat je allemaal meeneemt in de berekening, ligt het getal ergens tussen 12 en 1,6. Ook de plaats is belangrijk. In een woestijn dichtbij de evenaar is de EROEI hoger dan in ons noordelijk zeeklimaat. Fijn voor woestijnbewoners, maar ons brengt het weinig.

Voor energie uit wind geldt een soortgelijke spreiding van getallen. Dat er na al die jaren van technische ontwikkeling nog steeds dik subsidie bij moet, geeft aan dat de EROEI ongezond laag ligt. Bovendien kennen zonne- en windstroom grote pieken en dalen in productie. Opslag is het toverwoord, maar opslag kent z’n beperkingen, matige rendementen en het verlaagt de EROEI van de hele keten, soms tot minder dan 1. Waterstofgas is zo’n vorm van opslag. Universiteiten die hernieuwd onderzoek doen, weten eigenlijk
op voorhand al dat de waterstofeconomie een utopie is, want dat was het altijd al en getallen veranderen niet vanzelf. Technisch maakbaar, maar economisch niet haalbaar.

Hoewel je biobrandstof kunt beschouwen als verpakte zonne-energie, is de EROEI absurd laag en het concurreert het met de voedselteelt. Kernfusie kan wel voor heel hoge EROEI-energie zorgen en veertig jaar geleden werd ons beloofd dat het begin deze eeuw grootschalig zou werken. Nu vraagt de wetenschap nog eens veertig jaar. Wat goed is komt snel. Had althans destijds snel moeten komen….

Elektriciteit is geweldig, maar echt onmisbaar voor onze maatschappij is olie, vanwege zijn fysieke eigenschappen. Geen enkele vorm van energie is namelijk zo functioneel als een vloeibare. Je kunt het makkelijk bewaren en vervoeren in elke vorm. Een andere fysieke eigenschap is de enorme energie-dichtheid. Neem een liter benzine. Die bevat ongeveer 9 kiloWattuur aan energie. Misschien wordt het nu wat technisch, maar het gaat om het vergelijk van de getallen. 9 kiloWattuur is 9.000 Wattuur. Een werkend mens levert een vermogen van gemiddeld 100 Watt. Delen we die 9.000 Wattuur door 100 Watt, dan is de uitkomst 90 uur. Ofwel: een mens moet 90 uur stenen sjouwen om evenveel arbeid te verrichten als 1 liter benzine dat kan. Daarom nooit meer zeuren dat benzine duur is……
Accu’s zijn al snel tientallen tot honderd keer zwaarder en daarmee lang niet altijd een bruikbaar alternatief. Veel toepassingen kunnen daarom alleen met een vloeibare brandstof. Denk aan de luchtvaart, de moderne scheepvaart en landbouw. Dat lukt niet met een verlengsnoer, een chemische accu of een waterstoftank.

De econoom John Maynard Keynes -grondlegger van ons hedendaagse macro-economische systeem- voorspelde in de jaren dertig van de vorige eeuw dat we nu met ongeveer 15 uur per week werken, voldoende inkomen zouden verdienen voor een mooi bestaan. Ergens logisch, want je hebt zojuist gezien hoeveel arbeid je kunt verrichten met bijvoorbeeld een liter benzine. Hoe anders is het gelopen. Zo brengt benzine vooral een auto weg en de ervoor werkende persoon mag mee. 1.500 kilo auto voor 80 kilo mens is een metafoor die past op heel veel moderne principes, door welke 15 uur werken niet genoeg is. Het kalf is vaak groter dan de koe.

Als je een stap terug zet en objectief naar gewerkte tijd kijkt, dan gaat die tegenwoordig vooral op aan overheidslasten in de vorm van vele belastingen, aan huisvesting en aan wegwerpconsumptie. Wat betreft belastingen zijn we meegaande sukkels: de tiende penning van Alva was met 10% belasting een lachertje vergeleken met nu, maar de woedende bevolking had er destijds een 80-jarige oorlog voor over…. Toegegeven, we kennen tegenwoordig wat meer door de overheid betaald comfort, maar toch: ze gaan anders met geld om dan jij en ik.
De huizenmarkt en daarmee ook de huurprijzen zijn compleet doorgeslagen. Hoezo zijn stijgende huizenprijzen een goede zaak? Voor wie? Lijkt wederom op een piramidespel, met een aantal winnaars en veel verliezers.
Het verdienmodel van veel fabrikanten uit zich in het aanpraten van wegwerptroep. Schrap dat verdienmodel, bouw voor de eeuwigheid en recyclen behoort tot het verleden. Driemaal winst. Vijfmaal als je de uitgespaarde energie en arbeid meetelt. Zesmaal als de uitgespaarde arbeid gelijk staat aan vrije tijd. En dan krijgt Keynes misschien ooit nog gelijk.

Gelukkig hebben we de tijd voor een inmiddels al aarzelend startende, geleidelijke verandering, omdat fossiele energie voorlopig nog royaal ter beschikking staat. Bovendien voor een deel met een economisch redelijk gunstige EROEI. We zullen naar mijn mening zachtjes aan moeten inzetten op een vorm van economie, die niet hoeft te groeien, die niet afhankelijk is van eindige grondstoffen en vooral: het moet een economie zijn die toe kan met veel minder energie. Dat is mogelijk en een kwestie van politieke en morele wil. Volgens mij komt het vanzelf goed, als we ons aan de beperkende consument-in-gouden-kooi-denkcircel kunnen ontworstelen en herbeginnen bij een maatschappij die gebaseerd is op de essentie, op waar het nu eigenlijk om gaat in het leven. Ben eens eerlijk naar jezelf, denk diep na en vraag jezelf af wat je echt gelukkig maakt. Tien tegen een, dat het eenvoudige wensen zijn. De rest is duurbetaalde ruis. Er is niets mis met het optuigen van een nieuw systeem naast het oude. Wat kunnen we daarmee verliezen? Wij hier aan het eind van de Lokkant zijn alvast voorzichtig begonnen…

Hier eindigt dit feuilleton. Het spijt mij als het niet altijd even optimistisch overkwam. Maar dat hoort bij het
leven, dus ook bij duurzaam leven. Ik heb getracht mijn visie weer te geven en die zo goed mogelijk te onderbouwen. Ik hoop dat ik u aan het denken gezet heb of dat u in de toekomst nog eens aan deze woorden herinnert en er een eigen invulling aan geeft. Wie meer wil weten over onze manier van leven, doet er goed aan om gewoon een keer op de koffie te komen.

Wij experimenteren intussen door met permacultuur in de breedste zin van het woord. Het is een methode die weinig energie vraagt. Ook niet veel geld. Het leunt niet erg op de huidige economie, maar brengt juist onafhankelijkheid en vrije tijd. Het is duurzaam, leerzaam en een bijzonder plezierige manier van leven. Dus waarom niet?

“De pessimist klaagt over de wind; de optimist verwacht dat hij draait; de realist stelt de zeilen bij.” -William Arthur Ward-

John Akkermans

Overpeinzingen van Fiets

Een sprookje. Maar niet heus…..

Gepubliceerd in “Zijwieltjes en verzuurde benen”. Een verhalenbundel van schrijvers uit het Land van Cuijk.

Daar staat hij: in de koele, pikdonkere werkplaats van z’n baasje. Tevreden dommelend te wachten totdat hij weer de sporen mag krijgen. Als Fiets een kat was, zou hij nu spinnen.

Koel en pikdonker, met rechts van hem de lauwe muur en de erachter liggende woonkamer, van waaruit geruststellend geroezemoes en gedempte muziek zijn tevredenheid alleen maar meer voedt. Achter Fiets staat Zusje, ook een vrachtfiets en tevens het andere werkpaard: dat van baasjes vrouwtje. Zusje is lief en mooi, zelfs knap. Links staat een oud project van baasje: een auto die op hout kan rijden. Van jaloezie is echter geen sprake bij Fiets, want die auto wordt niet meer gereden. Baasje gebruikt al jaren alleen nog maar de fiets en meestal de Fiets.

Toch steekt er soms iets, als baasje gaat rijden met Beauty, het bewielde luxe paard dat in de comfortabele woonkamer mag pronken. Elegant staat zij daar: als een slank luipaard dat aanzet voor de sprong naar haar prooi. Wel jammer voor haar dat ze de meeste tijd alleen maar mooi staat te zijn; uiteindelijk is Fiets degene die er het vaakst mee uit mag.

Hij voelt zich als een hond: trouw, hard voor zichzelf en altijd blij baasje te mogen dragen, als de voor hem hangende schuifdeur open rolt.

Fiets mag graag zijn bestaan overpeinzen. Immers, niet veel tweewielers kennen zo’n bewogen leven. Hij is nu ongeveer 35 jaar; een respectabele leeftijd voor een fiets. De meeste oude fietsen kwijnen weg in een vochtig schuurtje, gaan roemloos ten onder in de overvolle stalling bij een treinstation of -het allerergste dat hen kan overkomen- verzuipen in een gracht. Zo niet Fiets; net als zijn baasje kent hij een paar drastische wendingen in zijn verder wat saaie leven.

35 jaar geleden werd hij geboren als de eerste generatie mountainbike en gekocht door een fanatieke crosser. Die behandelde hem redelijk, voor zover je daarvan kunt spreken, want een mountainbike heeft een zwaar bestaan. Wel vond Fiets het heel erg om het veld te moeten ruimen voor een sexy nieuw exemplaar met aluminium frame. De trouw was daarmee niet wederzijds en dat deed hem pijn. Maar niet voor lang, want baasje kwam in beeld, kocht Fiets en verwende hem met een bel, spatborden, wegbanden, verlichting en een bagagedrager, waarmee Fiets opbloeide tot een stoere citybike.

Er volgde een tiental jaren van trouw woon-werkverkeer. Wel een beetje saai, maar baasje was goed voor hem. Gepoetst werd hij niet vaak, maar baasje verving ketting, tandwielen en banden, ruim voordat het Fiets pijn zou gaan doen.

Ineens stopte de dagelijkse routine. Een mooie auto bracht baasje voortaan weg en Fiets mocht slechts nog opdraven, als baasje samen met zijn vrouwtje ging toeren. Dolbij dat hij er uit mocht, sneed hij zichzelf in zijn spaakvingers door veel te enthousiast vooruit te willen. Vrouwtje kon zijn tempo namelijk niet bijhouden en verklaarde hem ijzig de oorlog. Fiets moest wederom gedwongen plaats maken voor een ander exemplaar en leek een roemloos einde tegemoet te gaan. Afgegleden als een doorsnee tweewieler, niet eens bedankt voor bewezen diensten, verdwenen uit het hart van baasje, ging Fiets in coma. Zijn banden liepen langzaam leeg en stof kleurde het gitzwarte frame grijs.

Fiets gaf het helemaal op, toen baasje hem op een dag tevoorschijn haalde en met een slijptol zijn stalen frame doormidden sneed. Dit was het einde. Via de schrootbak naar de hoogovens om als grondstof te dienen voor hedendaagse wegwerptroep. Hoe diep kun je zinken? Of toch niet?

Baasje ging in de weer met nieuwe framebuizen. Hij laste de voortrein er weer aan, maar bijna een meter verder dan vroeger. Fiets was dolblij dat er weer reuring was, maar doodsbenauwd door de onzekerheid over wat komen ging. Toch wachtte hij braaf, geduldig en vol vertrouwen af. Alle oude vertrouwde onderdelen bleven gelukkig. Nieuw waren de twee grote kratten die hun plaats vonden tussen de trapas en het voorwiel. Hmmm…. Het nu verlengde frame kreeg een nieuwe laklaag, gelukkig weer zwart.

Daarna mocht hij het asfalt op; voor het eerst in bijna tien jaar en nu als een nog stoerdere vrachtfiets. De band met baasje herstelde direct. Beiden deden hun best: baasje opende de mogelijkheid, Fiets aanvaardde de hernieuwde trouw en zo ontstond al binnen de eerste gereden kilometers een verbondenheid waar niets of niemand ooit een wig tussen zou kunnen slaan.

Hij was toen 30 en mocht weer bijna dagelijks aantreden. Natuurlijk was en is het soms zwaar. Letterlijk zwaar, want welke oude tweewieler moet naast zijn baasje bij tijd en wijle ook nog 100 kilo vracht dragen? Met liefde en plezier. Wederzijds, want baasje zorgde weer goed voor hem. Allerlei nieuwe accessoires kwamen: een lederen zadel, een kilometerteller, een stuurbeugel, maar ook een aanhanger voor als het te zwaar of te groot werd voor Fiets. Bovendien kwam hij nog eens ergens. Als mountainbike ook al, maar nu veel verder van huis.

Ondanks zijn toegenomen gewicht en omvang ging ook het tempo omhoog: Fiets mag tegenwoordig graag wielrenners pesten door als een log uitziende dinosauriër achter super lichte en veel te dure renfietsjes te gaan hangen. Goed, hij was natuurlijk altijd al een fiets die graag vooruit wilde. Net toen hij intens tevreden opging in zijn nieuwe leven, ging dat van baasje op kop.

De slijptol kwam weer tevoorschijn. Onbevreesd en vol vertrouwen liet Fiets zich wederom bewerken. Wel was Fiets mismoedig, want hij voelde groot verdriet bij baasje. Vrouwtje was namelijk ernstig ziek en kon niet meer uit fietsen. Fiets moest haar gaan dragen en daarvoor laste baasje een zijspan in elkaar. Droevig, maar dankbaar dat Fiets iets kon betekenen, keek hij uit naar de dag dat hij zowel baasje als vrouwtje mocht vervoeren.

Het mocht niet zo zijn: vrouwtje overleed een halve dag voordat hij haar kon rondrijden. Vier dagen later droeg Fiets haar alsnog: baasje reed zijn vrouw in de doodskist naar het crematorium. De droevigste dag in hun beider leven.

Baasje trachtte zich te herpakken; het leven gaat nu eenmaal verder. Fiets voelde zijn pijn en herkende de drastische levenswending; hij had er zelf immers ook een paar meegemaakt.

“Ik heb altijd vertrouwen in jou gehad, heb jij het nu in jezelf” is wat hij vaak telepathisch probeert over te brengen.

Oei! Fiets schrikt op uit zijn mijmeringen, omdat achter hem plotseling de binnendeur piepend open zwaait. Vervolgens knarst de schuifdeur opzij en verblindend zonlicht golft naar binnen, gevolgd door een zwoele zomerlucht. Een eeltige harde hand streelt liefdevol over het lederen zadel en grijpt vervolgens stevig het stuur. De zijstandaard zwaait met een metalige kloink omhoog.

We gaan op pad!

John Akkermans (1963, Haps) komt uit een technisch-neoliberale carrière en gooit in 2002 het roer volledig om, door een duurzaam kluizenaarsleven middels zelfvoorziening te starten. Voor hem een verrijking van het leven, omdat zelfvoorziening een mens dwingt na de denken over de essentie van het bestaan. Het plotselinge overlijden van zijn vrouw Diny in 2016 dirigeert hem richting de beeldende kunst en -zij het nog aarzelend-: het schrijven.