De kunstenaar

Ik wil voorop stellen dat ik mijzelf nooit als kunstenaar beschouwd heb, maar het een grote eer vind als anderen mij zo noemen. Op de lagere school kon ik niet eens een asbakje kleien. Waarschijnlijk omdat de vrije wil van het kind moest buigen voor de dwang van de schoolmeester. Nog altijd kan ik niet functioneren onder dwang. Vrijheid is nu eenmaal het grootste goed.

Ik ben geboren (1963) en getogen als rasechte nuchtere Brabander. De kunst vond mij pas op latere leeftijd. Traditioneel, zelfs conservatief opgevoed als zoon van een melkveehouder, afgestudeerd als autotechnisch ingenieur en een carrière in een harde technisch/zakelijke wereld weerhielden lange tijd de aantrekking van de schoonheid van kunst. Een kantelpunt was het moment dat mijn vrouw Diny en ik in 2002 ons werkzame leven vaarwel wuifden en wij het ongecompliceerde kluizenaarsleven van de zelfvoorziening omarmden. Niet langer geïndoctrineerd door de maatschappij of gevormd door de huidige ratrace, leerden wij weer zelf denken en doen.

In 2010 heb ik meegewerkt aan een groot stro/leem gebouw, alwaar de confrontatie met leem als bouwmateriaal de artistieke kwaliteiten ervan blootlegde. Zij het nog sluimerend, want het kunstzinnige zat nog in mij opgesloten.
In 2013 bouwde ik een verwarmde zitbank annex fornuis uit leem. Het was de bedoeling om dit object strak af te werken; het aangeleerde “recht” en “haaks” denken uit het verleden was nu eenmaal lastig te doorbreken… Maar een uit het werk stekend stukje beton (ik gebruikte steenpuin als vulmateriaal) noopte tot een speelse, organische draai. Die me zo greep, dat het hele object afgewerkt is in een stijl die ingewijden “Gaudiaans” noemden. Kleinere beelden volgden: een kop, een hand, een tors. Het bleef bescheiden met een beeldje per jaar. Totdat Diny eind 2016 plotseling stierf en ik mijn vriendin, mijn vrouw, mijn maatje, mijn muze verloor en mijn toch al niet zo snelle leven helemaal tot stilstand kwam.

In de maanden na haar dood zwaaide de deur van de archiefkast, waarin mijn emoties lagen opgeslagen, open en er viel van alles uit. Ik kon mijn emoties deels kwijt in schrijven, maar vooral in het scheppen van kunst. Wel was het strijd; zeker toen. Nog steeds is het scheppen van kunst min of meer strijd voor mij. Deels omdat het voor mij als rechtlijnig denkend ingenieur verwarrend blijft om “nutteloze” voorwerpen te creëren en die ook nog eens organisch te vormgeven. Eenmaal daar doorheen zeurt er tijdens het creatieve proces een zweem van knagende, maar uiteindelijk stimulerende onzekerheid: waar gaat de vorm naartoe? Wat wil ik? Wat wil het materiaal? Altijd volgt er vroeg of laat een euforische doorbraak, waarbij het lijkt of de handen een eigen weg vinden en de geest er als een toeschouwer bij staat. Alsof het materiaal heeft gewacht op een passende geestestoestand van de schepper….

Een beeldje per jaar werd een beeld per maand. Nu soms meerdere per maand. M’n vriendin Colet is kunstenares. Zij stimuleert me en leert me over kunststromingen en kunsthistorie. Ik ben nu, na bijna twee jaar nog steeds een eigen stijl aan het zoeken. Kubisme vloeit als vanzelf uit de vingers. Het bijna tegengestelde Rodin-achtig impressionisme vind ik prachtig en uitdagend, vooral vanwege zijn dramatische spel met licht. Dus ontwikkel ik beide honderd jaar oude stijlen naast elkaar en voorlopig vooral via het menselijk lichaam of fragmenten ervan. Het zou zomaar kunnen dat beide genoemde stijlen een mengvorm gaan aannemen.

Een autodidact kent voordelen en nadelen. Nadelen zijn het moeten uitvinden hoe materialen zich gedragen, het ambachtelijke deel eigen trachten te maken en daarnaast zien te vinden welke stijl ik ambieer. Voordeel is dat je door een eigen weg te bewandelen, jezelf niet in een keurslijf drukt. De van zijn vrijheid houdende zelfvoorziener vindt dit laatste erg belangrijk. Het neemt echter niet weg dat andere materialen en stijlen ook onderzocht gaan worden: ik ben nog zoekende.